Links

WEERZIEN IN CAÏRO vervolg

WEERZIEN IN CAÏRO 2

‘Waar ben je mee bezig, wil je ook vermoord worden?’
‘Die kerel…’
‘Hemel Tess, ik schrok me wild toen ik je niet meer zag. De man achter de balie was gelukkig erg spraakzaam nadat ik mijn kaart liet zien. Ik weet nu de naam van die kerel. Ga in Godsnaam geen spelletjes spelen met deze lui.’
‘Nou, speel jij die dan maar.’ Schamper voegde ze er aan toe: ‘Ik vind het best knap van mezelf dat ik hem voor jou heb gevonden. Hij is nu vast hier in de moskee.’
‘Kom mee terug naar het hotel.’
‘In een moskee zal niets gebeuren.’
‘Niets daarvan.’
Niels pakte haar resoluut bij haar arm.
Mokkend liep ze terug. Nu keek ze wel om zich heen en besefte dat ze de weg terug zelf waarschijnlijk nooit gevonden zou hebben.
‘En nu ga je goed ontbijten, behalve een slok koffie heb je niets gehad. Hierop kun je niet goed nadenken.’
‘Dat hoef ik toch niet meer. Ik ben ontslagen… of ben je dat vergeten?’
Larry zat nog aan hetzelfde tafeltje. Hij keek opgelucht en kuchte. ‘Ik heb Pieter gebeld. Hij was erg onder de indruk van het verhaal van de kaping. Niels vertelde mij de datum en Pieter zal alles hierover op internet opzoeken.’
‘Zo vertrouwt hij mij niet?’
‘Tess, ik kan begrijpen dat je spinnijdig bent, maar luister even.’
Ze ging zitten en zag dat Niels een bord van het ontbijtbuffet pakte en dat begon op te laden.
Larry schuifelde op zijn stoel heen en weer. Ze keek hem expres niet aan.
Niels kwam aanlopen. Larry stond op. ‘Eet Tess, ik moet nog iets regelen. Ik ben zo snel mogelijk terug.’
Ze stak haar tong naar hem uit.
Niels ging naast haar zitten en hield een croissant met boter uitnodigend voor. Na een hap merkte ze pas hoeveel trek ze had. Zwijgend at ze een croissant. De ober kwam met gebakken eieren aanzetten.
‘Je mag blijven Niels, zo goed ben ik jaren niet verzorgd.’
Hij leek haar opmerking niet te registreren. Zwijgend at hij zijn bord leeg.
Ze veegde haar mond af en wilde iets zeggen.
Niels gebaarde dat ze stil moest zijn. Zijn denkrimpel werd steeds dieper. Na enkele minuten kon ze zich niet meer beheersen en vroeg zacht: ‘Spijt dat je mij hierbij betrokken hebt?’
Hij pakte haar hand en knikte ontkennend en zei zacht: ‘Alles is nu ingewikkelder geworden.’
‘Hoezo? Of kan je het daar ook niet over hebben?’
Hij keek even verstoord.
‘Ik bedoel het serieus Niels, heus, als ik je kan helpen… kan ik eindelijk iets terug doen. Jij hebt mij toen zo goed opgevangen.’
Hij bromde enkele onverstaanbare woorden en keek haar toen aan. ‘Ze waren erg onder de indruk. Ik gaf mijn mensen de files die jij… alleen… ze zijn woedend dat ik hun eigen mensen had gepasseerd.’
‘Zo, nu zitten we beiden diep in de shit?’
‘Och…’
‘Vind je het eigenlijk leuk wat je doet? Destijds leek je zo enthousiast voor de archeologie en nu…’
Hij knikte.
Larry kwam aangeslenterd. Hij wenkte en ze stond op.
‘Ten eerste mijn excuses. Pieter wil graag dat jij de presentatie vanmiddag doet, net zoals afgesproken.’
‘En als ik dat nu niet meer wil?’
‘Tess, toe, alsjeblieft.’
‘Luister even… ik laat niet met me sollen. Als Pieter wil dat ik voor hem blijf werken, zal hij mij dit zelf moeten zeggen en niet door een loopjongen.’
Met een gezicht als een donderwolk zei Larry: ‘Ik zei toch dat het me speet?’
‘Doe jij dit altijd? Mensen voor schut zetten om bij Pieter goede sier te maken? Ben je soms uit op mijn job? Zo goed ben je heus niet hoor.’
Larry liep rood aan.
‘Het is beter de dingen bij zijn naam te noemen. Ik doe mijn werk serieus en ik ben niet thuis voor die stomme geintjes. Je hebt niet alleen mij maar ook Niels hiermee voor schut gezet. Dingen doen waar jij de ballen van af weet… daar hou ik niet van. Laat Pieter bellen, dan doe ik vanmiddag de presentatie en dan mag jij de diapresentatie verzorgen.’
Ze draaide zich om en liep naar haar kamer. Even dacht ze eraan om een bad te nemen, maar ze bedacht zich. Met haar badpak en de veel te grote kamerjas liep ze naar het zwembad.
Niels rende haar achterna. ‘Wacht, ik ga met je mee.’
‘Oké, ik ga vast,’ zei Tess.
Ze kwam net onder de douche vandaan en zag een louche kerel het water in lopen. Instinctmatig zette ze de douche weer aan en wachtte ongeduldig op Niels.
Hij kwam op zijn dooie gemak aanlopen, keek even speurend rond en maakte een rare grimas toen ze hem wenkte.
‘Een engerd in het water…’
Hij schoot in de lach, maar keek grimmig toen hij de man had gezien.
‘Sorry Niels, maar ik durf zonder jou het water niet in. Zag je die ogen? IJskoud, echte killer ogen en als die vent met de tatoeage hier ook is…’
‘Wil je nog zwemmen?’
Ze knikte ontkennend.
Ze wees naar de haken.
‘Kan je mijn badjas aangeven?’
Samen liepen ze de gang op. Ze stak haar hand in de zak van haar badjas en slaakte een kreet.
‘Niels, je gaf de verkeerde. Kom gauw terug, mijn kamersleutel…’
In het zwembad hing geen badjas meer en de man was verdwenen.
‘Wat zit in de zak van deze jas?’
‘Een mobieltje.’
‘Geen kamersleutel?’
‘Nee… straks komt hij…’
‘Geen paniek, op die kaart staat toch geen kamernummer. Kom, bij de receptie weten ze hier wel raad mee.’
‘Zeg dat mobieltje… wil je dat laten nakijken?’
Niels keek haar aan en hief bestraffend een vinger op. Plagend zei hij: ‘Daaraan zou ik nooit gedacht hebben.’
‘Een simkaart is zo te kopiëren, maar dan moet ik wel de apparatuur hebben.’
Ze stonden voor haar kamerdeur. Niels opende die met de nieuwe kaart, liet haar voorgaan en liep ook haar kamer in. Hij trok de deur dicht. ‘Hoe zit het nu met je werk?’
‘Ik moet om 3 uur de presentatie doen. Wil je komen luisteren?’
‘Meen je dat?’
‘Ja, het is heel iets nieuws.’
‘Ik kom graag. Mag ik jou voor vanavond uitnodigen voor een cocktail bij de Amerikaanse ambassadeur?’
Ze grinnikte en gaf hem een por. ‘Deal, dress code?’
‘Ik trek mijn smoking aan.’
‘Wow. Zal je vast goed staan.’
Hij keek schaapachtig.
‘Ik wist niet dat je verlegen kon zijn.’
‘Tess, je maakt me af en toe in de war.’
Ze trok een pruimenmondje.
Hij kuchte ongemakkelijk.
‘Nou, is er iets?’
‘Ik… eh…’
‘Is het zo erg om toe te geven dat je iets voor mij voelt?’
Hij kreunde. ‘Ik moest je uitnodigen, want op de ambassade willen ze je testen voordat ze je engageren voor…’
Ze wilde hem een klap geven, maar hij pakte haar arm stevig vast.
‘Au, je doet me pijn.’
‘Laat me eerst uitspreken.’
Mokkend gaf ze toe, maar siste snel: ‘Klootzak.’
‘Tess, jouw probleem is dat je te intelligent bent.’
‘Huh, te intelligent, bedoel je geniaal? Verdorie, dacht ik net… geen vent wil mij om die hersens.’
Niels keek haar alleen maar aan. Plotseling kuste hij haar en fluisterde: ‘Ik ben verliefd op je geworden, maar de situatie is niet bepaald de gemakkelijkste. Ik kan met dit werk geen relatie hebben.’
Ze pakte zijn hoofd met beide handen en terwijl ze hem vurig kuste trok ze zijn zwembroek naar beneden.

‘Half drie! De presentatie,’ riep ze en sprong het bed uit.
Pijlsnel nam ze een douche. Niels kwam haar achterna. ‘Wil je nog?’
‘Wat… vrijen of dat je meekomt?’
Ze voelde een speelse tik op haar billen.
Zeven voor drie was ze helemaal klaar. Ze deed parels in haar oren, keek keurend in de spiegel en streek een vouw uit haar jasje.

Larry stond zenuwachtig bij de ingang van de bijna gevulde zaal. ‘Waar was je?’
‘Ik heb mij mentaal voorbereid. Vooruit, ik ben er toch… heb jij die dia’s klaar?’
Larry keek Niels aan en zei snierend: ‘Zo, moest jij je ook voorbereiden?’
‘Tess heeft mij uitgenodigd, moet ik mijn kaartje laten zien, zodat jij een hoekje kunt afscheuren?’
Die zat zag Tess. Ze grinnikte en zag de eregast aankomen. Met gestrekte armen liep ze op de man af. ‘Welkom professor. Ik heb speciaal op u gewacht om u te kunnen zeggen hoe ik uw aanwezigheid op prijs stel.’
‘Tess, voor mijn beste leerling heb ik altijd belangstelling. Is dit je partner?’
Niels gaf de professor een hand en stelde zich voor.
Tess stak beide armen door die van de professor en van Niels en liep met hen naar het podium. Ze stopte bij de eerste rij en gebaarde dat ze konden gaan zitten.
Ze stapte het podium op, ging achter de katheder staan en boog licht na een kort applaus.

‘Alles uit haar hoofd,’ hoorde ze fluisteren toen het enorme applaus eindelijk verstild was.
Ze hief haar hand op. ‘Dank u, mocht een en ander niet duidelijk zijn, dan kunt u na de thee de diapresentatie bekijken die mijn assistent Larry u zal tonen.
Uit haar ooghoek zag ze dat Larry haar wel kon wurgen.
Na de felicitatie van de professor met haar voordracht, werd ze omringd door enthousiaste genodigden. Een uur later hield ze het wel voor gezien. Ze wenkte Niels. ‘Zeg, krijgen we iets te eten bij de Amerikanen? Laten we anders een broodje nemen voor ik na een glas bubbels teut ga worden.’
‘Goed idee, daarvoor hebben we nog even tijd. De taxi staat om half zeven voor.’
‘Taxi?’
‘Nou dienstauto dan.’
Ze hoorde Niels bellen. Hij gaf haar kamernummer op.
Tess trok haar mondhoeken omlaag en siste: ‘Wat?’
‘Ze brengen mijn smoking. Bezwaar?’
‘Ik heb een zwart jurkje. Ik neem aan dat ik niet in jeans kan verschijnen.’
‘Tess, nogmaals, het spijt me ontzettend, maar ik kan beter eerlijk zeggen hoe de zaken ervoor staan. Als ik niets gezegd zou hebben, zou je vast ontploffen tijdens die cocktail. Eigenlijk mag ik helemaal niets zeggen over een eventueel contract.’
‘Niels, maak er geen drama van, ik begrijp het, maar je weet dat ik er niet van hou om gemanipuleerd te worden.’
Niels drukte haar even tegen zich aan.
‘Zeg, op je kaart staat CIA, maar dit is niet het gangbare logo toch? Zit jij bij die geheime club die zogenaamd niet bestaat?’
Niels hield even zijn adem in.
‘Had ik goed gezien. Zeg maar niets. Ik weet nu genoeg. Ik hoop voor jou dat het goed betaalt.’
Aan zijn gezicht zag ze dat dit het geval was.
Een onopvallend busje met geblindeerde ramen stond voor. Een man in coltrui stapte uit en salueerde voor Niels. De man knikte haar toe en zei: ‘Avond Ma’m.’
‘Jules, mijn… onze bodyguard en chauffeur, een prima schutter.’
Even verstrakte ze.
Niels keek haar onderzoekend aan en fluisterde: ‘Wees niet benauwd, er zal niets gebeuren.’
Bij de ambassade toonde ze haar paspoort. De man bij de ingang gaf het niet terug.
‘Hé, Niels, ik wil mijn paspoort terug, officieel is het zelfs verboden om dit af te geven.’
‘Sorry, dat had ik je moeten zeggen. Veiligheidsvoorschriften.’
‘Zo dus daarom moest je schutter mee. Zou hij mij neerschieten als ik hier een scene ga maken?’
Niels wilde iets zeggen, maar ze lachte. ‘Geen paniek, voor 30.000 per maand zal ik braaf zijn.’
Hij gaf haar een speelse por.
Ze liepen door een metaal detector en werden door een bode naar de ontvangstzaal geleid. Ze hoorde toenemend geroezemoes. Bij de ingang stond een bediende met een zilveren blad met de champagne. Niels bood haar een glas aan en nam zelf ook. Samen liepen ze door.
Een gezette kalende man in smoking en een lintje in zijn revers stak zijn hand uit. ‘Zo kerel, goedenavond mevrouw, fijn dat u wilde komen. Ik heb veel over u gehoord.’
‘Dank u, prettig met u kennis te maken.’ De ambassadeur draaide zich al weer om naar andere gasten. Tess telde een man of dertig.
‘Is dat alles?’ vroeg ze aan Niels en nam een hapje zalm dat haar werd voorgehouden.
‘Toch niet vergiftigd hoop ik?’
‘Jouw grapjes…’
‘Kan je daar niet tegen? Ik vind het hoogst vermakelijk. Word ik straks vastgebonden en moet ik aan een leugendetector?’
‘Zo ongeveer… ja.’
‘God Niels, ze moeten toch een betere methode hebben, dit is zo ouderwets.’
‘Weet jij een betere?’
‘Zeker, die heb ik ontwikkeld. Wel een dure grap, maar veel betrouwbaarder.’
‘Ik zal ze dat melden.’
‘Wat weten ze al van mij? Heb jij ze al het een en ander verteld? Aan je gezicht te oordelen vast wel en anders had je mij zeker niet mee genomen.’
Niels keek op zijn horloge en mompelde iets van nu moeten ze toch komen.
Enkele seconden later kwam er een bode die hen discreet wenkte om hem te volgen. Ze klommen een trap op en Niels werd verzocht op de gang te wachten. Hij ging zitten. Duurt vast een tijdje, dacht ze.
In het kamertje, uitgerust met haar bekende apparatuur werd ze vriendelijk verzocht plaats te nemen.
‘Mevrouw, eerst… we zijn onder de indruk van de manier waarop u de gegevens voor mijnheer Smith hebt verkregen.’
‘Och, zo moeilijk was dat niet.’
‘Van wie hebt u dat hacken geleerd.’
‘Dat gaat u niets aan.’
‘Toch wel mevrouw, voor de veiligheid… We bieden u een salaris van $ 30.000 per maand met een contract voor 6 maanden en daarvoor moeten we wel alles weten.’
‘Wat?’ liet ze zich ontvallen, ‘hebben jullie overal afluister apparatuur? Ik noemde dit bedrag als grapje aan Niels, eh Adam.’
‘Mevrouw, erewoord, dit is dan stom toeval. We kunnen veel, maar niet alles.’
‘Dat heb ik gemerkt aan deze ouderwetse troep waarmee jullie nog steeds werken.’
De man knikte begrijpend. Hij aarzelde om iets te vragen en streek peinzend met zijn hand over de punten van zijn lichtblauwe overhemd.
‘Stelt u die vraag maar,’ zei Tess.
‘Goed, wie was de hacker?’
‘Codenaam Raoul, een Indiër, ik leerde hem kennen op een computerseminar. Ik was onder de indruk van de manier waarop hij dit aanpakte en mocht een keer meekijken. Mijn fotografisch geheugen laat me nog niet in de steek.’
‘Juist ja. Ik begreep dat u ook een beter programma heeft voor deze troep, zoals u onze apparatuur noemt.’
‘Ja, dat kan ik leveren. Omgerekend in dollars $200.000, maar dan kunt u het ook op alle ambassades of consulaten of god weet waar, gebruiken.’
Hij knikte.
‘Bespreekt u het maar met uw superieuren en dan hoor ik het wel. Mijn bankrekening hoef ik dacht ik niet op te geven, want deze zult u ongetwijfeld al hebben uitgeplozen.’
‘U bent wel direct…’
‘Mijnheer…’
‘Sorry Patrick Vandenhove.’
‘In mijn beroep is tijd geld, dus laten we geen tijd verspillen. Ik ben bereid het contract te gaan tekenen, dus doet u maar snel uw werk.’
‘Hebt u nog contact met Raoul?’
‘Nee, ik zag hem alleen destijds. Hoorde vaag iets over Detroit, dat hij daar, getrouwd met een Amerikaanse, een brave huisvader is geworden.’
Hij tikte enkele woorden op de computer in.
‘Singh?’
‘Patrick, ik weet zijn achternaam niet eens.’

Niels zat nog op de gang toen ze de deur uitliep. Met een grote grijns zei ze: ‘Half jaar gekregen met een mooi salaris, verdien jij ook zoveel?’
Ze toonde het contract en opende de deur weer om het terug te geven.
‘Patrick wil niet dat iemand dit kan inpikken. Ik neem aan dat hij zich hieraan prima houdt.’
Niels sloot even zijn ogen. ‘Ze zijn hiermee erg correct.’
‘Oké, wat doen we nou? Ik moest jouw orders opvolgen. Kan ik blijven werken of hoe zit dat?’
‘Ga gewoon door met je werk. Als ik het nodig acht om jou te contacteren, doe je gewoon wat ik je vraag. Je mag geen materiaal achterhouden.’
‘Dat hoef ik niet. Ik heb trouwens een fotografisch geheugen, maar dat wist je misschien al. Zeg, die kaper… ik wilde Patrick hier niet over lastig vallen, maar nu ik toch goed gevonden ben… kunnen we die vent te grazen nemen?’
Samen liepen ze de trap af. Beneden was het al helemaal donker.
‘Staat Jules nog voor?’
Hij knikte en pakte zijn mobieltje waar hij alleen één toets intikte.
‘Krijg ik ook een auto met chauffeur? Liefst een roze met panterbekleding.’
Niels schoot in de lach.
‘Hemel het is al over twaalf. Op naar het hotel zeker of moet er nog iets gebeuren?’
‘Nee, voor vandaag is het genoeg.’

‘Niels, ik noem je liever zo, mag ik jouw appartement eens zien?’
‘Beter van niet Tess.’
‘De veiligheid, zeker…’
Hij knikte.
‘Daar vind ik geen barst aan. Leuk om een half jaar flink te kunnen sparen, maar daarna hou ik het wel voor gezien. Ik ben liever mijn eigen baas. Met dit bedrag als startkapitaal, zal me dat wel lukken. Nu heb ik voldoende naam gemaakt. Pieter zal het niet leuk vinden, maar kom laten we het licht uitdoen.’

Ineengestrengeld werd Tess wakker. Het was al half negen. Niels sliep nog. Ze gaf hem een kus en wilde naar de badkamer gaan. Hij trok haar op zich.
‘Zo, wat moet ik vandaag voor je doen,’ vroeg ze plagend, ‘hoort bevredigen daar ook bij? Op commando?’
In de badkamer vroeg ze: ‘Zeg, weten ze ook dat we met elkaar…’
‘Waarschijnlijk vermoedt Patrick dit wel. Hij is toppsycholoog.’
‘Krijg ik een speciale laptop?’
‘Nee, je rapporteert aan mij.’
‘Hoeveel lui staan boven jou?’
‘Niemand.’
‘Wat? Ik neem aan dat je geen een-pitter bent.’
‘Nee, ik heb 300 man onder me.’
‘Goh, ik ben onder de indruk.’
‘Wat wil die Pieter dat je nog in Cairo doet?’
‘Je kunt hem dat zelf vragen, of moet ik gewoon blijven doen? Maar hoe pak ik het aan als ik een klusje voor jou moet doen?’
‘Dan krijgt hij een bericht.’
‘Oké. Dus we zien elkaar niet meer voorlopig.’
‘Nee,’ hoorde ze hem zacht zeggen.
Ze pakte zijn hand en kneep erin.
Niels werd weer zakelijk. Hij kleedde zich snel aan. ‘We kunnen nog samen ontbijten, daarna ga ik er vandoor.’

Beneden zat Larry met een gezicht als een oorwurm.
Tess hield haar hand op. ‘Larry, we staan nu quitte. Hou er maar over op. Wat staat er vandaag op het programma?’
‘Een persconferentie. Pieter houdt contact met de video.’
‘Hoe laat?’
‘Over een uur.’
‘Life uitzending?’
Larry knikte.
‘Goed, dan verkleed ik me na het ontbijt. Power dressing, daar houdt Pieter van.’
Larry keek haar met een scheef gezicht aan.
‘Ik bedoel er niets mee, dat hoort toch bij mijn baantje?’
Ze hoorde hem snuivend baantje herhalen.
Na een croissant en een ei stond ze op. ‘Heb jij de tekst?’
Grommend overhandigde hij een map.
‘Mooi, kan ik op de wc doornemen.’ Ze stak haar tong uit en liep naar haar kamer. Even leunde ze tegen de deur. Alle spullen van Niels waren weg. Ook haar euforie was gedeeltelijk weggeëbd, maar het idee dat ze contact zouden houden, stemde haar weer vrolijk.

WEERZIEN IN CAÏRO

‘Middenpad graag.’
Tess overhandigde haar ticket en staarde in de verte terwijl het meisje een stoelnummer intoetste.
‘Mevrouw, uw instapkaart.’
Tess knipperde met haar ogen en pakte de kaart met een afwezig knikje. Met rechte rug, pakte ze haar handbagage. De taxfree winkel had het parfum Mitsouko van Guerlain in de aanbieding. Dat luchtje had ze op toen… Vol afschuw liep ze door de slurf naar het vliegtuig.
Tess spande haar kaken toen ze voor stoel 13B stond. Stom, niet opgelet bij het inchecken. Achteroverleunend op dezelfde plaats als op die fatale vlucht kwamen de beelden van de kaping boven. Karin, de jonge vrouw met wie ze vanaf het opstijgen gezellig had zitten kletsen… de gewapende en gemaskerde kerel met een aparte tatoeage op zijn onderarm die plotseling het gangpad op liep… de doodsbange stewardess…

Een hand op haar schouder deed haar schrikken.
‘Mevrouw, wakker worden. Wilt u de stoel recht zetten, we gaan landen.’
Opgelucht haalde ze adem. Ze stond op en pakte haar koffertje uit het rek. Meelopend met de meute kwam ze bij de paspoortcontrole. Een dikke beambte lachte haar vriendelijk toe en maakte met zijn hand te kennen dat ze mocht doorlopen. Bij de uitgang hield Larry, een van haar medewerkers, het bord met haar naam op. Ze volgde zijn aanwijzing en stapte in de klaarstaande taxi. Oud Cairo was niets veranderd al bespeurde ze wel meer politie. Gelukkig was de chauffeur niet erg spraakzaam, zodat ze zich alvast kon concentreren op haar voordracht.

De hotelkamer rook fris. Ze hing haar zakelijke kleding uit en zag dat ze nog tijd genoeg had om een paar baantjes in het zwembad te kunnen trekken. Blij dat ze de enige in het water was, deed ze geen badmuts op. Plotseling dook iemand vlak naast haar het water in. Boos draaide ze haar hoofd af, maar kon een plens water op haar hoofd niet vermijden.
‘Zeg u bent hier niet alleen! Kan het iets rustiger?’ riep ze verstoord.
De man kwam boven water. Verbaasd zag ze dat het Niels was.
‘Niels,’ riep ze. Hij reageerde niet maar toen hij zijn gezicht omdraaide lachte hij verheugd.
‘Tess, ik heb je net nodig, dat is ook toevallig.’
‘Kijk wat je gedaan hebt… mijn haar…je wordt bedankt, zo kan ik niet op mijn bespreking verschijnen.’
‘Sorry. Kan ik je spreken?’
‘Geen tijd. Ik moet nu echt naar mijn kamer om mijn haar te föhnen.’
‘Dan kom ik naar je toe. Welk nummer?’
‘We zitten niet meer in de woestijn hoor.’
‘Alsjeblieft, ik heb jou hulp nodig. Jij bent de beste.’
‘Nou, dat hoor ik niet vaak.’ Ze klom uit het water en pakte haar badjas.
‘Ik meen het, dit is geen grapje Tess.’
Hij keek haar zo serieus aan, dat ze haar kamernummer gaf.
Ze stond nog in haar badjas het natte haar te föhnen, toen hij klopte.
‘Wat betekent dit in Godsnaam.’
‘Tess, jij bent gespecialiseerd in computers en…’
‘Ik ben hier voor mijn werk Niels.’
‘Als je nu even naar mij wilt luisteren.’
Ze zette de föhn uit en sloeg haar armen over elkaar.
Niels stak van wal. Al gauw luisterde ze ademloos.
‘Zo, en denk jij dat ik iets kan…’
‘Jij bent iemand die ik kan vertrouwen.’
Ze keek op haar horloge. ‘Ik moet echt opschieten.’
‘Ga maar door met je haar. Ik kom zo terug met enkele papieren. Stop ze als je blieft in je kluis. Heb je een laptop bij je?’

Ze was net aangekleed en hoorde zijn klopje. Hij keek haar bewonderend aan.  ‘Sorry voor dat gespat. Ik heb ook nog een USB stick.’
Ze knikte en opende de hotelkluis. ‘Ik bekijk het wel na de afspraak.’
‘Enig idee hoe lang?’
Ze haalde haar schouders op.
‘Mag ik op tien uur vanavond rekenen?’
‘Waar? Hier?’
‘Ja, dat is veiliger, beter dat ze ons niet samen zien.’
‘Zeg speel je tegenwoordig James Bond?’
Hij zocht in zijn jasje en pakte een geplastificeerde kaart.
Ze pakte deze aan, bekeek de foto en gaf hem terug. Haar wenkbrauwen schoten omhoog. Adam Smith las ze en fluisterde: ‘Wealth of Nations, toe maar.’
Hij grinnikte. ‘Ja, en nu ga ik er vandoor. Tot straks, alvast bedankt.’

De bespreking verliep vlot en na een snel hapje was ze tegen acht uur al weer op haar kamer.
Het beeld van Niels of Adam tijdens de kaping kwam boven. Ze herinnerde zich nog precies waarover ze hadden gesproken. Ze schrok op van een geluid op de gang. Iemand rende langs haar deur en ze hoorde een harde bons. Nieuwsgierig opende ze haar deur. Ze keek de gang in en zag een man ineengedoken op de grond liggen. Hij kreunde. Als uit het niets verscheen Niels. Hij hield zijn vinger op zijn lippen, pakte haar bij haar arm en trok haar de kamer in.
‘Wat…’
‘Je hebt dit niet gezien.’
‘Kom nou Niels. Heb jij die vent?’
Hij knikte en begon: ‘Heb jij die spullen al…’
Ze viel hem woest in de reden: ‘Ik ben jouw slaafje niet hoor. Ik ben nog geen vijf minuten op mijn kamer.’ Ze schopte haar schoenen uit, hing haar jasje op, haalde de spelden uit haar opgestoken haar en schudde haar hoofd. ‘En nu ga jij mij eerst vertellen waarom jij die kerel…’
‘Dat heeft hier niets mee te maken. Je bent intelligent genoeg dat je weet dat mijn beroep betekent dat ik niets mag loslaten. Ik heb jou al teveel verteld, maar anders zou je mij niet willen helpen, voilà.’
‘Oké. Nu je hier toch bent kan je mij beter briefen, dat gaat sneller. Is internet hier veilig als ik ga hacken?’
Hij knikte en pakte het stickje.
Tess zette haar laptop aan en leunde achterover. Ze rekte zich uit. ‘Wil jij zijn gegevens zelf intikken, zodat ik het uit veiligheid…’
Hij pakte haar laptop en tikte het protocol in. Met een knik draaide hij haar laptop weer terug.
Tess sloot even haar ogen, haalde diep adem en begon. Ze zat gebogen achter het scherm en zag vanuit een ooghoek dat Niels haar handelingen probeerde te volgen. Na drie pogingen floot ze. ‘Bingo.’ Ze draaide haar laptop een halve slag en leunde achterover.
‘Dat heb je verrekt snel gedaan.’
Ze snoof, stond op en liep naar het ijskastje. ‘Verdorie, leeg. Ik heb een razende dorst. Is dat ding van jou vol?’
‘Niet naar gekeken,’ zei Niels terwijl hij de gegevens op het scherm bestudeerde.
‘Wil je dat ik dit voor jou ga opslaan?’
‘Kan dat?’
‘Geef mij maar een leeg stickje. Ik zag dat het de nodige bites heeft.’
‘Kan je dat zien?’
‘Uh huh.’ Snel tikte ze enkele formules in. Het ronde wieltje begon al te draaien. ‘Ik schat 20 minuten.’
‘Zoveel?’
‘Wat dacht je, je wilt toch alles hebben? Dit is maar een klein deel, als ik alles ophaal zitten we hier overmorgen nog.’ Tess keek op haar horloge en mompelde: ‘Was dit alles?’
Niels keek verlegen op en zei: ‘Nee, eigenlijk niet.’
Ze zuchtte en begon: ‘Niels, mijn werk.’
‘Daar ben ik al mee bezig. Je baas zal jou hiervoor vrijaf geven.’
‘Beslis jij zomaar voor mij? Jezus Niels, dat pik ik niet.’
‘Geen gemaar Tess, wat als ik je zeg dat de president van de Verenigde Staten jou hiervoor wil inzetten.’
Ze begon hard te lachen. ‘Nou moet je mij geen sprookjes gaan vertellen. Volgens je kaart doe jij al jaren dit soort klusjes. Waarom heb jij vier jaar geleden niets gedaan? Je liet Karin en die andere man afslachten zonder een vinger uit te steken. Ik ben nu aan een stevige borrel toe.’
Boos liep ze naar de deur. Niels was haar voor. Ze voelde zijn handen op haar schouders. Zacht zei hij: ‘Sorry, ik heb me als een lompe boer opgesteld. In mijn werk…’
‘Ja, blijkbaar denk je dat jij je door die kaart alles kunt permitteren. Dat lukt je misschien met dom volk, maar ik zit anders in elkaar.’
‘Dat heb ik vier jaar geleden al gemerkt Tess. Het spijt me dat ik niet eerder contact met je hebt gezocht. Je bent heel bijzonder.’
‘Zo, begin je nu met flemen?’
‘Alsjeblieft Tess, ik ben hier niet handig in.’
Ze pakte zijn hand en haalde die van haar schouder. ‘Ik ben echt bekaf.’
Hij knikte en zei zacht: ‘Doe vannacht voor niemand open. Ik kan ook hier blijven. Je kent me, ik zal niets proberen.’
‘Niels, niemand weet toch wat ik gedaan heb?’
‘Daar ben ik niet zo zeker van. Die man op de gang…’
‘Je gaat mij toch niet vertellen dat jij aan de bar hebt staan opscheppen over mijn hackers talent?’ Ze geeuwde en deed haar laptop in de kluis.
‘Je meent het van die borrel?’
‘Nou en of. De bar is nog open. Jij hebt de gegevens. Stop die stick desnoods in je sok. Kom op naar de bar. Ik ben niet zo’n angsthaas.’
‘Oké, één drankje vooruit dan maar.’
‘Krent,’ zei ze toen ze samen haar kamer verlieten.

In de bar speelde een pianist. ‘Goh ik heb eeuwen niet gedanst. Heb jij dat ook geleerd voor je werk?’
Niels perste zijn lippen op elkaar.
‘Sorry Niels, maar die kaping…’
Hij zei niets, pakte haar hand en leidde haar naar de kleine ronde dansvloer. Hij drukte haar dicht tegen zich aan en gaf haar een kus in haar nek. ‘Dit had ik al veel eerder willen doen.’
Ze sloot haar ogen en volgde zijn ritme. Door haar oogleden speurde ze de bar af. Een man trok haar aandacht, die beweging… ze probeerde zijn pols te zien en hield haar adem in toen ze de tatoeage herkende. Niels wilde haar aankijken maar ze draaide haar mond naar zijn oor en fluisterde: ‘Niels, die man aan de bar in dat witte pak. Hij is de vent die Karin neerschoot.’
Ze voelde hem even verstrakken. Daarna drukte hij haar nog vaster tegen zich aan en siste zacht: ‘Probeer gewoon door te dansen. Trek vooral geen aandacht.’
De pianist ging over op een ander ritme, veel te vlug om op te dansen. De man in het witte pak vond de muziek blijkbaar niet naar zijn zin. Hij stond op en liep hun richting uit. Plotseling kuste Niels haar vurig. Automatisch kuste ze hem terug.
Zodra de man uit het zicht was liet Niels haar los en vroeg: ‘Wil je dat drankje nog?’
‘Jawel, maar niet hier.’
Hij trok haar mee, keek af en toe om zich heen en laveerde haar naar de lift.
Voor haar kamerdeur zei hij: ‘Ik probeer een fles te organiseren, ben zo terug.’
Ze ging met een plof op haar bed zitten. Haar hart ging als een razende tekeer. Zijn kus, zo echt… of was het allemaal verbeelding. Ze doezelde weg. Niels klopte al weer op de deur. Ze keek op haar horloge. Hij was ruim tien minuten weg geweest. Met de fles triomfantelijk voor zich uit zei hij: ‘Gaat het?’
Schor zei ze: ‘Ja, ik schrok wel even. Zeg, met jouw organisatie… kunnen we die te pakken nemen?’
‘Ik kan het aanzwengelen.’
‘Wat! Aanzwengelen? Ik neem aan dat je een wapen hebt.’
‘Tess niet zo gestrest.’
‘Ik weet niet wat ik nu van jou moet denken Niels, of moet ik je Adam noemen. Hoe heet jij eigenlijk?’
Hij liep naar de badkamer en kwam terug met twee glazen. ‘Wil je puur of moet ik er een beetje water bij doen?’
‘Doe maar puur.’ Ze leunde achterover op het tweezits bankje en Niels kwam naast haar zitten. Peinzend draaide ze haar glas rond. Ook Niels sprak niet. Hij schonk haar bij toen ze haar glas leeg had. ‘Je hebt een drukke dag achter de rug. Het is beter dat we gaan slapen voordat we elkaar verwijten gaan maken waarvan we later spijt hebben.’
‘Goed idee, slaap lekker Niels, ik ga naar de badkamer, je vindt de weg vast nog wel naar je slaapkamer.’
Ze voelde zich gesloopt. In de badkamer haalde ze haar make-up van haar gezicht, poetste haar tanden en deed haar sieraden af. Op de tast vond ze haar bed. Tot haar verbazing lag Niels daarop, in diepe rust. Hij had alleen zijn schoenen uitgedaan. Ze had geen energie meer om hem wakker te maken. Voorzichtig kroop ze onder het dekbed. Voor ze het wist sliep ze.

Rond een uur of vier werd ze wakker. De maan scheen door een kier in het gordijn. Niels, in boxershort, snurkte licht. Ze draaide zich om en sliep weer. Tegen een uur of zes werd ze weer wakker. Niels was tegen haar aangekropen. Hij mompelde iets in zijn slaap.
Ze schrok wakker toen iemand op de deur klopte. Ze schoot overeind en zag dat er een enveloppe onder haar deur werd geschoven. Op blote voeten liep ze in haar nachthemd naar de deur en pakte de enveloppe. Verbaasd scheurde ze deze open. Ze las het korte bericht en vloekte.
‘Goeden morgen, slecht nieuws?’
‘Je wordt bedankt.’ Ze gaf het bericht aan Niels, die het grommend las. Prompt ging haar mobieltje.
‘Tess, je bent op staande voet ontslagen.’
‘Pieter, wat zullen we nu hebben?’
‘Je weet best wat ik bedoel. Gisteravond heeft Larry jou gezien. Op de dansvloer met een wildvreemde kerel. Je kent de policy van ons bedrijf.’
‘Niels is geen wildvreemde kerel voor mij.’
‘Probeer je er niet uit te kletsen. Als het goed is ontvang je een brief. Je hotelkamer is deze nacht betaald, maar daarna…’
Boos klapte ze haar mobieltje dicht en sloeg beide handen voor haar gezicht. ‘Shit, nu ben ik ook nog door jou ontslagen!’
‘Vertel even rustig… hoe…’
‘Larry, een van mijn medewerkers heeft ons gisteravond op het dansvloertje gezien. Jouw innige omhelzing heeft hij gefotografeerd en aan Pieter, mijn baas, opgezonden.’
‘Was hij daar? Heb je hem gezien?’
‘Nee, ik sufferd had alle aandacht voor jou en daarna voor de kaper.’ Ze stond plotseling op, tikte op haar mobieltje en zei: ‘Wacht, stel dat hij meerdere foto’s heeft gemaakt, dan staat die vent er misschien ook op.’
Niels wreef over zijn stoppelbaard.
‘Ga jij maar naar de badkamer, dan bel ik Larry even.’
Larry wilde eerst niet luisteren, maar toen hij begreep dat ze niet laaiend was, zei hij: ‘Tess, ik nam meerdere foto’s. Zal even kijken; wit pak aan de bar zei je toch?’
Ze hoorde hem in zichzelf praten toen hij de beelden doorzocht.
‘Hebbes, staat er prima op.’
Zie je een tatoeage op zijn pols?’
‘Daarvoor moet ik hem vergroten.’
‘Delete hem alsjeblieft niet. Dat deze killer nog vrij rond loopt…’
‘We kunnen beneden afspreken in het ontbijtrestaurant.’
‘Prima, ik moet me even aankleden. Tot over een kwartier.’
Niels liep met een handdoek om de slaapkamer in. Hij fronste zijn wenkbrauwen.
‘Over een kwartier zie ik hem in de ontbijtzaal. Kom je ook?’

In de eetzaal zag Tess Larry zitten. Ze schoof bij hem aan. Larry pakte zijn mobieltje en scrolde naar de bewuste foto. ‘Tess, ik heb het niet helemaal begrepen.’
Ze leunde voorover en begon met zachte stem over de kaping te vertellen.
‘Ze wilden alle mobieltjes hebben. De stewardess werd ruw bij haar arm gegrepen en de kaper duwde haar een plastic zak in haar hand. Toen hij zijn arm strekte zag ik een tatoeage van twee slangenkoppen.’
Na een veelbetekenende blik ging ze door: ‘Karin, de jonge vrouw naast mij met wie ik vanaf het opstijgen gezellig had zitten praten, begon snel een sms’je te componeren. Ik hoorde haar vooruit fluisteren toen het zenden niet snel lukte. We hielden onze adem in toen het toestel geluid maakte. De kaper keek speurend rond en liet zijn blik op haar rusten. Obey my orders, snauwde hij en trok haar overeind. Karins toestel kwam met een bons op de grond. Bitch, siste de man en gaf haar een klap in haar gezicht. Karin krijste asshole waarop de vent woedend werd en de stewardess gebood dit op te rapen. Hij griste het mobieltje uit haar hand, klapte het open, keek haar aan, schudde zijn hoofd en richtte zijn machinepistool op haar. Nee! gilde Karin, voordat haar hoofd uit elkaar spatte. Ik voelde stukjes hersens en bloed op mijn gezicht. Mijn keel zat dichtgeknepen en ik kon nauwelijks adem halen. Shut up, snauwde de man mij toe. Ik durfde mij niet meer te bewegen. Van de stewardess mocht ik mij niet opfrissen. De man aan de andere kant van het gangpad, reikte mij een pakje zakdoekjes aan. Ik schatte hem achter in de dertig. Bruin verbrand, blond haar, aan de lange kant. Hij dook weer in zijn boek over opgravingen. Iemand die de kunst verstond om zich onzichtbaar te maken. Het werd nacht. Niemand mocht van zijn plaats. Ik rook dat veel mensen hun ontlasting niet konden ophouden. Ook ik moest nodig. Het was doodstil in het vliegtuig en ik kon de angst ruiken. Iemand begon zachtjes te kreunen, waarop ik een andere persoon hoorde zeggen, laat toch lopen meid, straks knap je. Water, bromde een andere man. Ik hoorde meer kreten zoals: Verdomme, ze kunnen ons toch niet zo behandelen? Klootzakken zijn het, Ik zal ze! De stewardess kwam achter het gordijn vandaan en vroeg verstikte stem: of we stil wilden zijn. Zo, zeiden ze dat? vroeg een lange kerel. Hij stond op en werd prompt door een van de kapers doodgeschoten. Tegen het ochtend gloren pakten de kapers beide lijken op en smeten die naar buiten. Mijn maag draaide om. Een intussen aangekomen cameraploeg filmde de kapers. Ik vroeg of ik ergens anders kon zitten, want mijn plaats was doordrenkt van het bloed, maar ik kreeg te horen dat alle plaatsen bezet waren. Toen keek ik naar de lege plaats naast mijn buurman aan de andere kant van het gangpad. Kom maar naast mij zitten, ik reserveerde twee plaatsen, zei de man. Ik stond op en ging naast hem zitten. Hij keek mij onderzoekend aan en vroeg of het een beetje ging. Zijn naam was Niels. Hij hoorde aan mijn Engels dat ik uit Nederland kwam. Meteen fluisterde hij mij instructies toe hoe ik zoveel mogelijk moest proberen te bewegen om de bloedsomloop op gang te houden. Kijk zo.’
Ze draaide met haar voeten. Larry knikte en maakte een gebaar dat ze door moest gaan.
‘Ik vroeg hem of hij wist hoe lang dit kon duren, maar het was ook zijn eerste kaping en hij vermoedde dat ze eerst losgeld wilden vragen. Ik was bang dat ze ons zouden afschieten, maar Niels zei alleen dat hun waarden nogal met die van ons verschilden. Goed daar had ik weinig aan.’
Larry knikte en perste zijn lippen op elkaar.
‘Niels vertelde dat hij naar Noorwegen ging. Blijkbaar werkte hij op een universiteit. Ik had zijn boek over archeologie opgemerkt en hij knikte toen ik dat suggereerde. Nou daarna vertelde ik dat ik iets deed met computers. Na drie dagen mochten we het vliegtuig verlaten. Niels en ik waren een van de weinige passagiers die geen moeite hadden met lopen. Ik kan wel een week in het bad zitten, zei ik na de aankondiging dat de passagiers naar een hotel gebracht zouden worden. Omdat er niet voldoende kamers waren, moesten veel passagiers een kamer delen. Niels vroeg of ik daar bezwaar tegen had. Ik keek om mij heen en kon geen andere vrouw alleen ontdekken. Ik vertrouwde hem en bovendien konden wij elkaar verstaan.’
Ze keek Larry aan en eindigde met: ‘Toen zag ik Niels hier. Hij heeft het laten overvliegen van het lichaam van Karin verzorgd. God dat jij die ene kus die we ooit met elkaar gewisseld hebben op je mobiel hebt vereeuwigd en dat ook nog eens naar Pieter zond. Leuk hoor. Nu zit ik zonder baan.’
‘Sorry. Ik zal Pieter bellen en het hem uitleggen. Je sprak trouwens nooit over die kaping.’
‘Traumatische ervaringen stop ik het liefst weg Larry.’
‘Zeg, is dat Niels?’
Tess knikte en riep: ‘Niels kom erbij. Zeg Larry als je wilt kun je het verhaal ook van Niels horen. Ik heb er mijn buik van vol. Praten jullie maar, ik ga naar de bar om een espresso te drinken.’
Terwijl de ober de espressomachine bediende, zag ze beide mannen serieus met elkaar praten.
Peinzend roerde ze een klontje rietsuiker door de sterke koffie. Een man liep rakelings langs haar heen. Ze schrok en herkende de kaper, gekleed in de lokale dracht. Ze nam een slok, liet de koffie staan en liep hem achterna.
De man aarzelde even bij de receptie en vervolgde zijn weg naar buiten. Blijkbaar kende hij Cairo goed, want hij liep zonder dralen door de wirwar van straatjes. Tess probeerde een foto van hem te maken, maar meer dan zijn rug en nek kreeg ze niet voor elkaar. Na een kwartier lopen verdween hij door een kleine verveloze deur, een zijdeur van een moskee. Ze stond net met de deurhandel in haar hand toen ze hard werd achteruit getrokken.

RAADSELS ROND HARALD fragment

‘Gaan we nog of wil je dit jaar niet?’
Een duidelijk geïrriteerde Chris stak zijn hoofd om de hoek van zijn kantoor. ‘Marianne, gil niet zo. Natuurlijk gaan we. Ik moet Anneke inwerken. Die nieuwe opdracht…’
Hij wilde zich al weer omdraaien.
‘Oké, ik vroeg het alleen maar. Ik gilde trouwens niet, ik riep je, want je moet je koffer nog inpakken.’ Ik keek demonstratief op mijn horloge. Over anderhalf uur zou de taxi voor de deur staan.
Chris keek mij aan met op elkaar geperste lippen. Hij droeg alweer een nieuw overhemd, hield zijn buik in en zag mij niet meer zitten, althans zo leek het.
Ik liep over het krakende parket het kantoorgedeelte van ons pand uit, sloot de deur met een klap en ging de trap op. Mijn koffer lag al open op de zachtgele sprei van ons brede bed. Die van Chris stond nog op het zoldertje.
Vals neuriënd pakte ik mijn zomerkleren voor onze jaarlijkse mei vakantie. Dit keer zou de zeilcruise met de Starflyer ons rond de Griekse en Turkse eilanden voeren. Zon, een aangename temperatuur en een rustige zee, luidde de weersvoorspelling.
Ik ritste mijn koffer dicht en stond even in dubio of ik Chris’ koffer ook zou pakken. Om gezeur te voorkomen liep ik vlug naar het zoldertje om zijn donkerblauwe koffer te zoeken. Toen ook deze op het bed lag, zocht ik zijn spullen bij elkaar en pakte dit zorgvuldig in. Ik liet de koffer open zodat hij kon zien of ik dit naar wens had gedaan. Een laatste controle bevestigde dat mijn paspoort, de vliegbiljetten naar Rome evenals de vouchers voor transfer naar Civitavecchia in mijn tas zaten. Ik ging de trap af, liep weer naar het kantoor en knikte naar Chris. ‘Je koffer…’
‘Oh, ja, moet nog…’
Ik hield mijn hand op. ‘Heb ik al voor jou gedaan. Kijk maar even of je nog iets…’
Hij rende al weg en kwam even later met de dichte koffers terug. ‘Dank,’ bromde hij.
Op de valreep van ons vertrek legde Anneke vertrouwelijk haar hand op Chris’ arm. ‘Geniet u nu maar van uw reis, mijnheer van Swieten. Maakt u zich geen zorgen. Ik weet wat u van mij verwacht en bovendien kan ik u op het schip bereiken. Italië is niet het andere eind van de wereld en u bent maar een week weg.’
‘Je hebt gelijk Anneke,’ zei Chris en hij keek haar bewonderend aan.
‘Rust u goed uit, dan kunnen we de volgende opdracht met nieuwe energie aan.’
Hij schonk haar een dankbare glimlach en gaf haar een kusje op haar wang. Ik kreeg een stevige handdruk van haar, waarbij haar lange oorbellen rinkelden.
De taxi stond net voor de deur toen ik op mijn horloge keek. ‘Prima op tijd, kom Chris, we moeten…’
Hij stapte meteen in terwijl ik stond te kijken of onze koffers wel werden ingeladen. Zodra ik zat zag ik dat hij met zijn mobieltje in de weer was.
‘We boffen met Anneke, wat pikt ze alles snel op en bovendien is ze…’
Ook in de taxi naar Schiphol bleef hij haar ophemelen. Ik luisterde al gauw niet meer en keek nietsziend naar buiten.

De vliegreis naar Rome verliep prima. Geen kwijtgeraakte koffers, zodat we snel door de douane waren. Chris stond al ongeduldig bij de taxistandplaats. Met mijn koffer, beautycase en reistas maakte ik een teken dat ik hiermee de stoep niet op kon. Hij haalde zijn schouders op en wees op zijn horloge.  Ik trok mijn arm bijna uit de kom om de koffer het trottoir op te krijgen. Hijgend kwam ik bij de taxistandplaats, waar Chris een knappe lange Italiaan al stond uit te leggen waar we heen moesten. Hij keek triomfantelijk naar de glimmende Mercedes en dat het hem in zijn rudimentaire Italiaans toch maar weer gelukt was. De chauffeur kwakte Chris’ koffer in de achterbak en pakte daarna mijn grote koffer die hij voorzichtig hier bovenop legde. Hij pakte mijn beautycase aan en hield galant het portier voor mij open. In vloeiend Italiaans bedankte ik hem, waarop ik een bewonderende blik kreeg. Chris stapte met geperste lippen in. Ik moest even gniffelen voor ik achterover leunde en mijn ogen sloot. De weg naar Civitavecchia kon ik zo langzamerhand dromen.
Ik hoorde Chris af en toe ritselen met een stukje kauwgum. Vreselijke hekel had ik aan dat kauwen. Ik rook de pepermunt lucht die zich mengde met de nieuwe autogeur van de taxi. Aan het schuifelen van Chris op de achterbank begreep ik dat we er waren. De taxi leverde ons keurig voor de Star Clipper af.
De taxi chauffeur zette onze koffers bij de loopplank.
Ik rekende af. Chris bromde goedkeurend naar de matroos die de kofferlabellen bekeek. De man knikte toen hij het nummer van onze hut daarop had gezien en wees dat we aan boord konden gaan. Achter Chris liep ik de brede loopplank op. We stapten aan boord, waar een van de officieren ons verwelkomde met een ferme handdruk. Op het dek stonden de Filipijnse bedienden klaar met het traditionele welkomstdrankje. Slap spul. Ik knikte de Filippino vriendelijk toe en pakte uit beleefdheid een aangeboden glas. Chris nam een slok, trok zijn lippen op en zette zijn glas met een klap op de bar. Hij hees zijn broek op, draaide zich half naar mij en zei: ‘Ik ga het schip verkennen.’
Zonder te vragen of ik mee ging, baande hij zich een weg door de consumerende meute. Ach, ik kende hem, dus trok ik mij hiervan niets meer aan. Ik keek hem na en zag dat zijn licht gele vrijetijdsbroek niet meer strak zat. Vast voor Anneke, fluisterde een klein duiveltje in mijn oor.
Ik bekeek de medepassagiers. Oersaai zo te zien. Al mijn pogingen om een praatje te maken strandden, want van de monosyllabische antwoorden werd ik niet vrolijker. Ik zou mijzelf moeten amuseren, want ik verwachtte dat Chris zoals gewoonlijk weer de hele dag ging zitten lezen.
Mijn gedachten dwaalden af naar vroeger. Wat was ik toen naïef. Ik leerde Chris kennen op een feestje. Een kersverse ingenieur met lichtjes in zijn ogen, een goed figuur en een vlotte babbel. Hij leek een viriele man die juist aan zijn eerste baan was begonnen. Mijn studie kunstgeschiedenis, dé studie voor een net braaf meisje, had ik nog niet afgerond.
Het streelde mijn ego dat Chris direct veel werk van mij maakte. Hij had al een auto, terwijl ik op een oeroude Solex reed.
Vroegere vriendjes waren fuifnummers. Dolle pret, maar ze hadden weinig geestelijke bagage. Zo niet Chris, hij wist veel, waardoor ik mij nooit in zijn gezelschap verveelde.
Als studente woonde ik thuis, want kamerhuur kon er niet af. Toen Chris al snel vroeg of ik met hem wilde trouwen, zei ik spontaan ja. Was het een vlucht, omdat ik niet meer thuis wilde wonen?
Automatisch pakte ik een van de – met een oosterse glimlach – geserveerde hapjes en mijmerde verder. De opmerking routine kills marriage, spookte door mijn hoofd. Sleur komt sowieso om de hoek kijken, maar ik was vast besloten om van mijn huwelijk een succes te maken. Seks met Chris was niet bijzonder spannend, maar verder had ik niet te klagen. Hij sloeg me niet, respecteerde mij, was nooit krenterig en voor de tweeling was hij een goede vader. Chris vond zichzelf een gemakkelijk mens. Alles was goed, mits het op zijn manier gebeurde… Door mijn ouderwetse opvoeding vond ik het normaal dat de man het voor het zeggen had. Bij het wisselen van zijn banen in en naar het buitenland volgde ik hem braaf. Nu waren de lichtjes in zijn ogen voor mij gedoofd.
Fred, de vriendelijke kleine Filippino die ons van vroegere reizen herkende, liep naar mij toe en stak zijn hand uit. ‘Fijn u weer aan boord te zien mevrouw.’
‘Fred, alles goed?’
‘Ja mevrouw. Ik heb er een dochter bijgekregen.’
‘Gefeliciteerd, je had toch al twee zoons?’
‘Goed dat u dat nog weet mevrouw. Wilt u nog een glaasje?’
‘Nee, dank je Fred, ik neem iets sterkers.’
Hij gaf mij een begrijpende knipoog en liep verder met een grote glazen kan om de slappe vruchtencocktail aan de passagiers te slijten.
Aan de bar bestelde ik uit balorigheid een sterke Negroni. Ik gaf het nummer van onze hut op, tekende het bonnetje en keek hoe de barkeeper de drie drankjes mixte. Aan het geluid in de haven hoorde ik dat we gingen vertrekken. Met mijn glas liep ik nieuwsgierig naar de reling. Daar zag ik enkele stevige mannen in overall al bezig om de trossen los te gooien, een teken dat iedereen aan boord was. Net had ik een slok genomen toen er plotseling een grote zwarte auto met hoge snelheid kwam aanrijden. Hij stopte met piepende banden voor de loopplank. Echt een maffia bak. Onwillekeurig schoot er een rilling door mij heen toen de herinnering aan de beroving door de maffia in Oost Europa boven kwam.
Geboeid bleef ik kijken.
De bemanning stelde zich plotseling erg onderdanig op. De chauffeur opende gedienstig het achterportier. Een slanke man, keurig gekleed in blazer en een lange witte linnen broek, stapte uit. Terwijl het personeel zich haastig om zijn dure bagage bekommerde, liep hij kwiek de loopplank op. Duidelijk een man van de wereld, gewend om bevelen te geven en iemand die ik eerder op een duur mega-jacht verwachtte dan op ons sportieve schip.
Hij liep rakelings langs mij. Van de geur van zijn frisse aftershave moest ik bijna niesen. Zonder iemand aandacht te schenken volgde de intrigerende man een bediende. Blijkbaar had hij geen behoefte aan het welkomstdrankje, want hij verscheen even later niet op het dek.
Peinzend dronk ik mijn negroni. Aan het trillen van de motoren wist ik dat het schip al begon te varen. Op mijn horloge zag ik dat ik voor het diner tijd genoeg had om mijn koffer uit te pakken. Chris kwam de hut binnen toen ik net klaar was. Ik bekeek mijn nieuwe lichtblauw linnen jurk en voelde het etiket in mijn hals prikken. Een complimentje van Chris was er niet bij. Zonder een woord te zeggen trok hij zijn koffer op het bed. Ik liet hem en ging vast haar het dek.
Daar zag ik dat lang niet iedereen de moeite had genomen om zich te verkleden. Ik beheerste mij om nog een Negroni te nemen. Met een glas gratis water liep ik naar de reling waar de kuststrook steeds kleiner werd.
Klokke half acht klonk de scheepsbel, een teken dat we aan tafel konden gaan.
Veel mensen struinden de eetzaal in of ze uitgehongerd waren. Een kalende kerel stootte mij daarbij nogal ruw, waarbij het laatste restje water net op mijn boezem terecht kwam. Ik zag dat dit een vlek had gemaakt.
‘Mijnheer, kijk wat u gedaan hebt,’ zei ik tamelijk verontwaardigd.
‘O, dat droogt wel weer.’
‘Pummel,’ siste ik en ik kreeg er nog meer de pest in dat we deze reis hadden geboekt. Ik zette mijn lege glas op de donkerbruin gelakte houten bar en bleef daar staan wachten op mijn echtgenoot.
Chris was ook op het geluid van de scheepsbel afgekomen. Hij liep met zijn mobieltje aan zijn oor, keek speurend rond en toen hij mij ontdekt had, brak hij het gesprek gauw af. Ik hoorde hem nog net Anneke zeggen.
‘Zo, sprak je met Anneke? Had ze iets bijzonders te melden?’
Hij bromde een beetje voor zich uit. Blijkbaar liep alles goed, maar om nu al te bellen vond ik een beetje overdreven.
Samen liepen we naar de eetzaal waar de purser ons het menu aanreikte.
Zoals we op dit schip gewend waren werd de tafelschikking voor de eerste avond door de gerant geregeld. ‘Hebt u er geen bezwaar tegen om iemand anders bij u aan tafel te krijgen?’ vroeg de man beleefd.
‘Nee hoor, dat is prima, want ik vind het altijd leuk om andere mensen te leren kennen.’
Hij liep voor ons uit naar een van de kleinere tafels voor vier personen en schoof een stoel voor mij achteruit. Even later kwam de gerand terug met onze nieuwe tafelgenoot. Tot mijn verrassing was het de man die op de valreep aan boord was gestapt.
Ik vergat bijna mijn mond dicht te doen toen hij zijn hand uitstak.
‘Fijn dat ik bij u aan tafel mag komen zitten, ik zal me even voorstellen. Harald …’
Hij sprak keurig Oxford-Engels. Zijn achternaam verstond ik niet omdat iemand met een denderende klap een metalen schaal liet vallen.

IK BEN ER OOK NOG fragment

‘Poes, vanavond komt mijn rugbyclubje. Je zorgt wel dat er iets lekkers is.’ Ze hoorde geroezemoes, gelach en gerinkel van glazen voordat Aernout het gesprek afbrak.
Barbara wreef met haar hand door haar halflange haar en zette haar lege espresso kopje met een klap op het aanrecht. Als succesvol chirurg was hij nu bijna een jaar met pensioen. Van de belofte dat ze nu zouden gaan reizen zag ze zo niets terechtgekomen. Aernout was weer helemaal in de ban van rugby. Af en toe bekeek hij zijn handen, waarbij hij goedkeurend bromde. ‘Nu hoef ik die niet meer te sparen. God, wat heb ik die rugby gemist…’
Gisteren had ze tijdens de lezing op de bibliotheek over zelfontplooiing haar besluit genomen. Nu kon ze zelf nog iets leuks doen voordat een bejaardenhuis het eindpunt zou betekenen. In de spiegel zag ze weer enkele lijnen. Voor 62 zag ze er nog goed uit. Ze hield haar wangen strak naar achteren en lachte tegen haar spiegelbeeld. Dan maar alleen op reis. Meerdere vriendinnen deden dat. Aernout was de kwaadste niet, maar hij verwachtte dat zij altijd voor hem klaarstond, zoals ze al vanaf zijn studententijd had gedaan. Toen er nog geen computers waren typte ze zijn proefschrift uit. Zij was het die de kinders opving, de was deed en zijn overhemden streek als hij weer eens naar een congres ging. Meegaan zat er toen niet in, want de kinderen hadden haar nodig. Nu stonden alle drie op eigen benen al kreeg ze vaak het verzoek om op de kleinkinderen te passen. Kleintjes waren leuk, maar als pubers vond zij ze ronduit onuitstaanbaar.
Ze hoorde Aernout fluitend thuiskomen. Hij smeet zijn sportspullen in de hal, rekte zich uit en riep: ‘Poes, is er nog iets te eten? Je weet toch dat we vanavond…’ Hij wachtte haar antwoord niet af, maar pakte meteen zijn krantje en plofte in zijn luie stoel.
Barbara ging voor hem staan. Ze haalde diep adem en zette haar handen in haar zij. ‘Aernout, wat als ik nu eens geen zin heb om voor jouw clubje te gaan koken, bedienen en opruimen?’
‘Doe niet zo flauw, je kunt dat prima.’
Aernout zat er als een zoutzak bij in zijn ribfluwelen slobberbroek, designers T-shirt en met zijn van Bommelschoenen. Haren iets te lang, al stond hem dat prima.
Barbara begon enkele decibellen hoger: ‘Vanavond doe ik dat niet. Ik heb besloten vandaag eens aan mezelf te denken. Straks ga ik naar de kapper, daarna ga ik nieuwe kleren kopen en vanavond ga ik uit eten bij De Viersprong. Zoek het maar uit, haal maar pizza’s.’
Ze draaide zich om. Aernout reageerde niet eens. De krant zakte een centimeter, maar hij ging rustig door met het lezen.
Prompt ging de telefoon. Haar oudste dochter.
‘Mam, ik kan met Thomas mee naar Portugal, 5 dagen. Kan je komen oppassen?’
‘Nee, schat, ik heb er schoon genoeg van om jullie te bedienen. Ik ga zelf op reis.’
‘Mam, doe niet zo flauw. Heeft papa jou uitgenodigd? Kan me niet voorstellen. Zijn rugby vriendjes staan toch bovenaan zijn lijstje?’
‘Ja, schat en dat is precies de reden waarom ik nu aan mezelf ga denken. Ik heb mijn beste jaren voor jullie klaar gestaan en dat is meer dan genoeg geweest. Vanaf nu doe ik dingen voor mezelf.’
‘Nou, veel plezier, ik vraag de moeder van Thomas wel.’ Gepikeerd brak ze het gesprek af.
Barbara liep naar haar bureautje en trok het kleinste laatje open. Ze zag dat haar paspoort en haar creditcard nog een paar jaar geldig waren. Ze deed haar oude vertrouwde jack aan en sloeg de voordeur hard achter zich dicht. Het grind knarste boos. Ze startte haar oude Volvo en reed naar het dorp. Bij de kapper kon ze zonder afspraak terecht. ‘Maak er maar iets leuks van Sandrine,’ begon ze.
Sandrine bekeek haar hoofd van alle kanten en vroeg: ‘Meent u dat? U wilde toch altijd hetzelfde?’
‘Nu eens niet, bedenk maar iets. Een ander kleurtje? Het moet wel flatteren en het hoeft ook weer niet hypermodern.’ Ze pakte een tijdschrift en hield dat op haar oude jeansrok. Hoog tijd om die ook te vervangen.
Ze gniffelde toen ze aan Aernout dacht. De keuken zou straks wel een puinhoop zijn. Flink zijn, sprak ze zichzelf toe. Nu niet meer gaan toegeven.
Twee uur later bekeek ze zichzelf in de spiegel. Het nieuwe kleurtje stond haar prima en de korte coupe flatteerde enorm.
‘Bent u tevreden?’
‘Sandrine, geweldig. Ik moet er even aan wennen dat ik dit ben. Nu nog nieuwe kleren.’
‘Gaat u op reis?’
‘Ik zit daar wel aan te denken meisje.’
‘Kijkt u eens bij Spetters, een nieuwe boetiek, hij zit naast de kaasboer.’
‘Dank voor de tip Sandrine, ik zal dat zeker doen.’
Neuriënd stapte ze de kapsalon uit. Na een stukje rijden, parkeerde ze de auto op het marktplein. Ze zag het winkeltje al. Voor de etalage bleef ze staan. Mooie kleren, natuurlijk materiaal. Ze las de zwierige letters: kasjmier, zijde, katoen en wol. Het belletje rinkelde toen ze de deur opendeed. Een jonge vrouw kwam haar tegemoet en keek haar vriendelijk aan. ‘Wat kan ik voor u doen mevrouw?’
Barbara wees naar haar jeansrok. ‘Ik ben deze praktische kleding meer dan beu. Ik wil beginnen met twee nieuwe outfits, beiden voor het tussenseizoen. Ik zag in de etalage een mooie kasjmier omslagdoek. Kijkt u maar wat mij het meest flatteert.’
De eigenaresse kneep haar ogen half dicht, liep om haar heen met haar hand onder de kin en mompelde iets in zichzelf. Hier en daar pakte ze een kledingstuk, hield dit haar voor en verwisselde een paar voorwerpen. ‘Met deze kleren lijkt u langer… geel, roze en lichtblauw zijn uw kleuren. Kijk ik heb hier enkele kasjmier tricots. Een lichtblauwe suède rok met daarover een zachtgeel kasjmier twinset… prachtig. Barbara voelde de zachte stof en knikte enthousiast. ‘Ook twee jurken voor dinertjes graag, maar niet te stijf.’
De vrouw opende een spiegelkast en pakte twee schitterende jurken.
‘Mooi, maar ik wil liever iets dat niet kreukt… voor op reis.’
Met opgetrokken wenkbrauwen, spitte de vrouw haar voorraad door en hield twee andere jurken op. ‘Zoekt u zoiets?’
Barbara knikte. ‘Ja, dat is precies wat ik in gedachten had. Die wil ik eerst passen.’
‘Wilt u koffie?’
‘Dolgraag, ik heb gewoon vergeten te lunchen. Ik merk dat ik rammel.’
‘Ik kan ook iets anders voor u halen.’
‘Oh, als dat niet teveel moeite is…’ Ze stond in haar onderjurk en wilde de mooie jurk over haar hoofd doen.
‘Kom ik help u even. Bekijkt u rustig wat u wilt hebben. Ik ben zo terug. Is zalm goed?’
‘Heerlijk,’ riep ze op kousenvoeten.
De stapel kleren die ze graag wilde hebben groeide. In de etalage lonkten enkele schoenen en een paar smaakvolle handtassen haar toe. Ook hiervan legde ze een paar bij de stapel.
Tegen halfzes kwam ze bepakt en bezakt thuis. Op de oprit stonden al enkele auto’s van Aernouts buddy’s.
Zingend liep ze naar boven. Ze was net halverwege de trap, toen Aernout de gang opkwam.
Hij keek op zijn horloge. ‘Net op tijd om te gaan koken poes.’
‘Heb je niet gehoord wat ik vanmorgen zei? Schat, ik ga straks uit.’
Verbluft liet ze Aernout achter. In de slaapkamer gooide ze de glimmende draagtassen op het bed en viste de jurk uit een zak die ze wilde aantrekken.
Aernout had niet eens opgemerkt dat ze naar de kapper geweest was en dat ze er nu veel beter uit zag. Al droeg ze een vuilniszak, hij zag haar gewoon niet meer.
Ze pakte een mooie nieuwe tas uit. Plaats genoeg voor haar sleutels, autopapieren en smartphone. De grote afgeleefde shopper gooide ze onder in de kast. Gauw een douche, deodorant op, parfum, schoon ondergoed, nieuwe kousen en de nieuwe schoenen aan. Ze trok de jurk voorzichtig over haar hoofd en bekeek zichzelf in de spiegel.
Na een goedkeurend gemompel, pakte ze de nieuwe kasjmier omslagdoek en liep de trap af.
‘Wow,’ hoorde ze Egbert die net van de wc af kwam mompelen. Hij draaide zijn broek recht. ‘Ga je uit? Krijgen we vanavond niets?’
‘Goed gezien Egbert, je bent een grote jongen, dus jullie redden je wel.’
Hij sprak geen woord en keek haar alleen maar aan.
‘Dag, prettige avond.’
Weg was ze. Twintig minuten later stond haar auto op de parkeerplaats van De Viersprong, het restaurant waar ze altijd met Aernout at wanneer ze iets te vieren hadden.
Jules, de gerant begroette haar. ‘Komt mijnheer later?’
‘Nee, Jules, hij eet met zijn rugbyclubje. Ik trakteer mezelf vanavond.’
Hij leidde haar naar een tafeltje in een hoek.
‘Zeg Jules, mag ik als vrouw alleen niet aan onze vaste tafel zitten? Prop mij niet in een hoekje, alsjeblieft.’
Een van de andere gasten keek op. Een slanke man. Hij kwam haar ergens bekend voor. Hij stond op. ‘Barbara is het niet? Ik ben Bert, Bert van Nispen, weet je nog?’
Ze keek de man vragen aan. Toen wist ze het weer. Stralend zei ze: ‘Bert, natuurlijk… jij zat toch in Nieuw Zeeland? Terug? Goh, ik had je hier niet verwacht, sorry dat ik je niet meteen herkende. Hoe gaat het?’
Uit zijn blik merkte ze op dat het beter kon.
‘Ben je hier alleen Barbara? Ik ving net zoiets op.’
‘Ja, jij ook?’
‘Bezwaar om samen te eten?’
‘Helemaal niet.’
Jules was al bezig bij te dekken.
Barbara nam Bert goed op. Hij miste iets van de zwierigheid van vroeger. Slanker dan Aernout, licht kalend en grijs aan zijn slapen. Ze had hem tijdens de vorige reünie van haar school gemist. Vaag had ze iets opgevangen dat zijn vrouw kanker had.
Ze ging zitten. Bert vroeg de kaart.
‘Zo, is er een speciale reden dat je hier bent?’
‘Ja. Nu Marga er niet meer is… ik wordt ook een dagje ouder… dat pensioen… ik eh… eigenlijk wil ik hier oud worden.’
‘Nederland is niet meer wat het geweest is hoor.’
Hij keek naar zijn handen. ‘Weet ik, maar nu ik nog goed ben lijkt me een pied à terre kopen geen slecht idee. Ik kan dat altijd verhuren.’
‘Zo kan je het ook bekijken. Ik dacht dat Nieuw Zeeland geweldig was. Laatst hoorde ik enthousiaste verhalen van vrienden die in… o, gut…hoe heet dat ding ook alweer…’
Ze trok een denkrimpel en stak toen plotseling haar vinger omhoog. ‘Ik weet het weer Madoo Lodge. Zegt dat jou iets, ze vonden dat fantastisch.’
Bert gniffelde. ‘Dat is ook toevallig zeg. Daar heb ik jaren de scepter gezwaaid.’
‘Je meent het… en nu wil je terug naar dit kikkerlandje?’
‘Het is daar inderdaad schitterend, maar daar heb ik geen gewoon leven.’
‘Het was vast geweldig om daar te werken. Eerlijk gezegd ben ik de situatie thuis even beu. Ik dacht er zelfs over om daar een tijdje te gaan logeren.’
‘Een dure grap, maar ik kan er voor zorgen dat je voor een vriendenprijs terecht kunt. Zeg, meen je dat je daar zou willen werken? Sorry dat ik van de hak op de tak spring, maar…’
‘Waarom niet. De hele dag niets doen ligt mij niet. Zorgen voor anderen heb ik mijn hele leven gedaan. Aernout vertikt het om te reizen. Na al die medische congressen heeft hij het wel gezien. Ik zat thuis met de kinderen. Vind je het gek dat ik nu iets voor mezelf wil doen? Nu kan ik dat nog. Een jaar er tussen uit, iets van de wereld zien… daar kijk ik echt naar uit.’
Bert wenkte de ober. Ze bekeken de kaart. ‘Het menu ziet er prima uit. Wat jij?’
‘Bert, het menu is hier altijd uitstekend. Laten we meteen bestellen voordat we blijven kletsen.’
Ze deed het servet op schoot en keek Bert afwachtend aan.
‘Toevallig zoeken ze iemand van jouw kaliber. Je zou dit tijdelijk kunnen doen voordat ze iemand gevonden hebben voor vast. Aan je gezicht zie ik dat je liefst vanavond al zou willen vertrekken.’
Ze grinnikte. ‘Dan kost mij dit dus niets?’
‘Integendeel, je zou zelfs een salaris krijgen, maar dan krijg je gedonder met de fiscus. Pensioen en zo. Ik mail ze wel. Daar is vast een mouw aan te passen. Als je daar als consultant bent, is er geen vuiltje aan de lucht. Je krijgt je salaris dan gewoon op je Nederlandse rekening.’
Barbara slaakte een diepe zucht. ‘Het lijkt erop dat dit zo heeft moeten zijn.’
Bert keek keurend naar de fles die bij het wijn arrangement zat en mompelde goedkeurend.
‘Ik zit hier maar over mezelf te zeuren. Ik hoop niet dat Marga erg geleden heeft… kanker niet?’
‘Ja, een rotziekte. Ze was erg moedig. Ik mis haar natuurlijk enorm, maar het leven gaat door. Net voor mijn pensioen. Van samen leuke dingen doen is niets gekomen.’
Ze snoof en dacht aan de dingen die Aernout beloofd had. Nee, een jaartje afstand nemen… ze kreeg er hoe langer hoe meer zin in.
‘Koffie?’ vroeg Bert.
‘Ja, beter wel. Ik moet nog rijden. Ben jij met de auto?’
‘Nee, ik loop wel.’
‘Kan ik iets voor je doen?’
Bert schudde zijn hoofd. Hij keek op zijn horloge. ‘Met het tijdsverschil kan ik beter nu bellen. Ik weet hoe zeer ze omhoog zitten.’
Hij wenkte de ober om af te rekenen.
‘Bert ik betaal de helft.’
‘Geen sprake van. Als ik met jou bij mijn opvolger op de proppen kom, voel ik mij al een stuk beter. Het was een deel van mijn leven. Wonen jullie nog steeds in dezelfde villa?’
‘Ja. Hier is mijn kaartje met mijn mobiele nummer. Het is nog vroeg en ik slaap toch pas laat.’
Bert sloeg haar cape om haar schouder en gaf haar een discrete kus. ‘Ik bel je zo snel mogelijk.’
In haar auto, kwam en allerlei scenario’s over Nieuw Zeeland boven. Benieuwd wat Bert haar zou vertellen, liet ze de Volvo buiten het hek staan. Uit de keuken klonk luid gelach. Ze rook dat er iets was aangebrand. Zo zacht mogelijk liep ze naar boven. Beter slapen in de logeerkamer, dan met een half zatte snurkende Aernout naast zich. De nieuwe aanwinsten lagen nog op haar bed. Ophangen en slapen, nam ze zich voor. In de badkamer ging haar mobieltje. Bert zag ze.
‘Je bent daar van harte welkom. Hoe eerder hoe liever. Schikt het als ik morgenochtend langskom? Ik zorg dat je ticket besteld wordt. En Barbara… ik heb genoten om met je te praten.’
Hij had al weer neergelegd voordat ze iets kon zeggen. Woelend lag ze in het logeerbed. Best spannend om naar Nieuw Zeeland te gaan. Eenzaam zou ze zich daar niet voelen. Vast veel interessante gasten… ze zou daar als ze weer terug was vast een boek over kunnen schrijven. Langzaam dommelde ze in.

Haar telefoontje rinkelde. De wekker wist ze. Half negen. Mooie tijd om op te staan. Bert zou langskomen. Met gespitste oren liep ze naar de badkamer. Uit hun slaapkamer klonk een zacht geronk. Ook na haar douchepartij hoorde ze Aernout nog niet rommelen.
In haar nieuwe suède rok en gele kasjmier trui met halve mouwen, liep ze naar beneden.
De keuken was een slagveld. Ze duwde enkele vuile borden opzij en begon koffie te zetten. Ze at twee plakken koek staand aan het aanrecht.
Een blad met twee kopjes, enkele chocolaatjes en een paar suikerklontjes zette ze alvast in de zitkamer.
Aernout kwam op de geur van verse koffie in kamerjas naar beneden. Hij gaf haar een afwezige kus in haar nek. ‘Zo poes, nog niet aan de slag?’
Ze pakte hem bij beide armen beet. ‘Nu moet je eens echt naar mij luisteren. Ik ben er ook nog en ik vertik het om te blijven koken en opruimen voor jouw vriendjes. Je bent nu bijna een jaar met pensioen en wat hebben we samen gedaan? Niets toch? Ik vertrek naar Nieuw Zeeland. Ik ga daar werken.’
Aernout barstte in lachen uit. ‘Jij werken? Je kunt niets.’
Ze beukte met haar vuisten op zijn borst. De bel ging. Ze liep naar de deur en liet Bert binnen.
‘Hé Bert, hoe is het? Long time no see…’
‘Kom Bert, Aernout moet opruimen. Ik heb koffie klaar staan.’
Verbluft bleef Aernout even staan voordat hij haar achterna kwam. Met half openhangende kamerjas brieste hij: ‘Wat zijn dat voor smoesjes. Vertrek jij zomaar met Bert?’
Bert kwam tussenbeide. ‘Aernout, even rustig ja. Ik kan het uitleggen.’
‘Godsamme, dat zegt elke vent die met de vrouw van een ander slaapt. Eruit verdomme.’
‘Ik ga pakken,’ riep ze.
‘Barbara, wacht even, geef je man eerst een sterkte koffie. Daarna vertel ik hem hoe de vork in de steel zit.’
Aernout struikelde over de loshangende punt van zijn peignoir en vloekte.
Barbara schonk een mok koffie, reikte deze aan Aernout en zei bars: ‘Vooruit drink op.’

WAAR IS TATJANA fragment

Denk erom geen woord, anders stuur ik Popov op je af.’
Sergei smeet zijn mobieltje op de grond en draaide zich in bed om. Prompt begon het apparaat weer te rinkelen. Op de tast graaide hij naar het toestel. Weer Kiril. Hij kreunde en hoorde dreigend. ‘Begrepen?’
‘Rot op, ik hoef die troep van jou niet meer, vuile moordenaar.’ Hij zette het toestel uit en liep wankelend naar de badkamer. Met één hand steunde hij tegen de muur om te plassen. Kokhalzend haalde hij net de wasbak. Met zijn hand spoelde hij zijn gezicht schoon. Hij rilde toen hij in de spiegel in plaats van zichzelf, het dode gezicht van Vladimir zag. Knipperend met zijn ogen, strompelde naar zijn bed en liet zich daarop vallen. Ook met een kussen over zijn hoofd, bleef het beeld van Vlad als een videoclip op zijn netvlies komen.
‘Shit drugs,’ kreunde hij.
Hoe hij was thuisgekomen wist hij niet meer. Met grote inspanning probeerde hij zich te concentreren. Langzaam kwam de herinnering aan de oudejaarspartij weer boven.
Zijn vaders chauffeur Andrej had hem rond half tien naar de exclusieve disco gebracht, waar hij met andere jongelui van rijke ouders Nieuwjaar wilde vieren. Een ijzige sneeuwjacht joeg over de stad en de gepantserde Mercedes gleed diverse malen van de weg. Met honderd dollar was Andrej niet te strikken om voor de ingang te blijven wachten. Sergei ploegde zich een weg door de sneeuwmassa en haastte zich naar binnen. Nog op tijd om een portie cocaïne te kunnen bemachtigen, voegde hij zich bij het snel groter wordende groepje rondom Kiril. Hij wreef zenuwachtig met zijn hand onder zijn neus en wachtte ongeduldig zijn beurt af.
Sergei rilde van Kirils lijzige nasale stem. ‘Hallo Sergei. Ik heb iets nieuws voor jou. Wil je deze pillen proberen? Je kunt er twee krijgen en ik vraag daarvoor vijftig dollar per stuk, een koopje. Bij Konstantin ben je de helft meer kwijt, maar jij hebt een rijke pa, toch?’
Sergei siste: ‘Oké, geef maar op.’ Hij trok de dollar biljetten uit zijn zak en hield deze plagend voor Kirils neus.
De schriele jongen rukte ze snel uit zijn hand en hief zijn vinger op. ‘Denk erom, neem ze niet tegelijk.’
Sergei griste het plastic zakje met beide pillen weg en liep in het hallucinerende licht van de draaiende glitterbal naar de bar. Speurend naar vrienden, streek hij met zijn hand door zijn lange blonde haar. De DJ draaide zijn rap op volle sterkte. ‘Een dubbele wodka!’ brulde hij. Met een biljet wapperend en een gebaar dat de barkeeper de rest kon houden, bediende de man hem als eerste. Meteen spoelde hij een pil weg. De grote spiegelwand reflecteerde zijn bleke gezicht. Knipperend met zijn ogen voelde hij het effect van de pil al gauw opkomen. Prima spul, lekker snel. In de spiegel zag hij zijn klasgenoot Vladimir beide pillen nemen. Hij draaide zich om en zette zijn handen tegen zijn mond. ‘Vlad, spuug uit die boel, je mag ze niet tegelijk nemen.’ In de keiharde muziek ging zijn stem verloren en door het gedrang kon hij Vlad niet bereiken. Sergei keek speurend naar zijn makker. Een onbekend meisje sloeg haar armen om zijn nek en begon hem te kussen. Bot duwde hij haar van zich af. ‘Rot op, stomme trut.’ Het meisje stak haar tong tegen hem uit. Hij zag een groepje klasgenoten en liep naar ze toe. Samen bekeken ze de blote meid die aan de paal stond te dansen.
‘Wat een lelijkerd. Moet je die hangtieten zien en die dikke kont… Emma was beter,’ zei Sacha en stak zijn derde vinger naar haar op.
Ivan gaf Peter een duw. Hij wankelde en botste tegen Vladimir aan die zich met moeite aan een tafeltje overeind hield.
‘Vlad, je had die pillen niet tegelijk mogen nemen,’ zei Sergei.
Vlad keek hem wazig aan en mompelde: ‘Even afkoelen.’
 
Tegen twaalf uur stond Sergei met zijn klasgenoten op het Rode plein naar het vuurwerk te kijken. De sneeuwjacht was gaan liggen, maar geen van de jongelui had oog voor het sprookjesachtige fonkelen van de verse sneeuwkristallen onder de sterrenhemel. Op de Kremlin-torentjes kwamen de kleuren door de poedersneeuwlaag pastel tevoorschijn, een schitterend gezicht, dat door de vele buitenlanders die Nieuwjaar op het Rode Plein vierden driftig werd gefotografeerd. De menigte hield de grote klok in de gaten en begon luidruchtig aan het aftellen. Nadat de klok twaalf uur had geslagen knalden de champagnekurken, waarop de aanwezigen elkaar luidruchtig Nieuwjaar wensten. Bij iedere knal volgde een luid gejoel. Na de finale liep Sergei rillend met zijn kameraden de disco in. Voor de ingang riep Sacha: ‘Hé, is Vladimir al naar huis?’
De jongelui stampten de sneeuw van hun bontlaarzen en gingen door met feesten. Rond vier uur hielden de meeste vrienden het wel voor gezien. Sergei liep met het groepje mee en griste zijn jack van de kapstok. Buiten hoorde hij een ijselijke gil. Met de anderen rende hij op het geluid af. Om de hoek van het gebouw bleven ze staan en keken verschrikt naar iets op de grond. Dat iets was Vladimir. De jongen lag in een onnatuurlijke houding en keek met nietsziende open ogen. Ivan probeerde hem op te tillen, maar hij was al helemaal stijf. Doodgevroren, nadat hij beroofd was. Zijn dure warme jack en zijn bontlaarzen waren verdwenen.
Het groepje rondom het lichaam van Vladimir groeide. Sergei stond aan de grond genageld. Igor moest kotsen en Natascha viel van afgrijzen flauw. Sacha pakte zijn mobieltje. Kiril liep op de commotie af. Ruw griste hij het toestel uit Sacha’s hand en begon zijn klantjes meteen te commanderen. ‘Luitjes gauw wegwezen voordat de politie komt, anders zitten we uren op het bureau. Jullie staan stijf van de drugs en dat vinden jullie pappies vast niet leuk.’
Sergei liet zich met de anderen als in trance meevoeren. Enkele straten van de nachtclub rende Kiril er vandoor en liet hen achter.
‘Schoft,’ riep Sergei hem na. ‘Jij hebt hem vermoord met die rot pillen van jou.’
 
Zijn wekker ging af. Elf uur zag hij. De traditionele lunch met zijn vader mocht hij niet missen, al wist hij precies wat zijn vader hem zou zeggen: goed je best doen.
Hij voelde zich laf omdat hij Vladimir zo had achtergelaten. Waren al zijn klasgenoten zo? Vonden ze de problemen die Kiril zou kunnen krijgen belangrijker dan Vladimir? Zou Vlad het overleefd hebben als hij actie had ondernomen? Kiril dacht alleen aan zijn eigen handel, de vuile egoïst. Hij schopte zijn kleren en bontlaarzen opzij. In de badkamerspiegel zag hij nu zijn eigen gezicht, grauw en lusteloos. Zijn blauwe bloeddoorlopen ogen en vergrote pupillen duidden op druggebruik. In een opwelling pakte hij een glas en smeet dit naar zijn evenbeeld, alsof hij de situatie hiermee kon oplossen. De klap werkte ontnuchterend en hij voelde meteen iets van spijt. Hij haatte zijn eigen zwakheid. Kijkend naar de scherven, speelde hij even met de gedachte om zijn pols door te snijden. Wat maakt het ook uit of ik mijn best doe of niet, mijn vader wordt helemaal door zijn werk opgeslokt en mijn moeder geeft niets om mij.
Bot gedrag, stoer doen en iedereen met minachting behandelen gold in dit wereldje als de stelregel om mee te kunnen doen. Vonden zijn vrienden deze manier van leven echt leuk of deden ze alsof? Hij merkte heus wel dat hij door het personeel van zijn vader werd geminacht. Respect moet je verdienen, hield zijn vader hem altijd voor. Hij miste elke motivatie en voelde zich waardeloos. Om zo te eindigen als Vladimir leek hem verschrikkelijk. In augustus werd hij achttien. Wat dan? Zonder diploma zou hij niet kunnen studeren. Zou Vladimir nog leven als hij hem was blijven zoeken en hem de pillen had laten uitspugen? Drugs hadden een funeste uitwerking. Hij ging eraan kapot, maar het lukte hem niet om op eigen kracht uit de vicieuze cirkel komen.
Een lange douche ontnuchterde hem enigszins. Hij rechtte zijn rug en kleedde zich aan.

SPOORLOOS

SPOORLOOS

 

Jemig, ze is er nog niet,’ prevelde Hanna toen ze geen bobbel op het bed naast haar zag. Haar reiswekkertje meldde vijf uur. Zo laat maakte Muriëlle het meestal niet. Ze knipte het licht aan en draaide het lampje meteen van haar gezicht weg. Ze voelde de motoren trillen. Even twijfelde ze of ze haar zou bellen. Zittend op de rand van haar bed zag ze Muriëlle’s gsm; logisch want op zee was geen bereik. Ze snoof en rook de geur van vers gebakken brood. Snel kleedde ze zich met een steeds sterker wordend gevoel van onrust aan. Op de gang heerste doodse stilde, behalve luid gesnurk uit de hut tegenover haar stateroom. Gniffelend dacht ze aan haar ouders, die door het hevige lawaai dat haar moeder in de nacht maakte, apart waren gaan slapen. Een jonge officier die haar wilde passeren keek haar flirtend aan. Fluisterend begon ze: ‘Ik zit met een probleem.’ Ze haalde even adem en zag dat de man dacht dat ze iets van hem wilde. Ze rechtte haar rug en begon ernstig: ‘Kunnen passagiers hier zomaar verdwijnen?’
De man keek sceptisch. ‘Kijkt u niet zo, mijn beste vriendin, met wie ik hut 402 deel is er nog steeds niet. Dat is niets voor haar,’ begon ze waarbij ze de paniek die ze voelde opkomen, probeerde te verdrukken.
‘Kom, kom mevrouwtje. Het gebeurt wel vaker dat een van onze gasten zich in een hut vergist,’ zei hij en keek haar veelbetekenend aan. ‘Zo is mijn vriendin niet. Ze is gelukkig getrouwd!’
Hij keek een tikje belerend. ‘Het zal de eerste keer niet zijn dat iemand een anoniem avontuurtje wil. Gaat u maar naar uw hut en slaap lekker uit. Als mevrouw om 10 uur nog niet boven water is gekomen, ondernemen we een zoekactie. Op dit tijdstip kan ik onmogelijk het alarm aanzetten. Ik moet ook om de andere passagiers denken.’
Hannah siste boos: ‘Jullie hebben ook weinig gevoel voor veiligheid.’ Ze keek op het naamplaatje van de jonge officier: Carl Sandström, las ze en aan het Zweedse vlaggetje dat naast zijn naam was gedrukt, begreep ze waar de lange knappe blonde man vandaan kwam. Ze kon zich voorstellen dat hij best in was om het alleenstaande vrouwen buiten zijn diensttijd het naar de zin te maken. Hij pakte haar bij haar arm en leidde haar naar hut 402. Voor de deur bleef hij afwachtend staan. Wat dacht de vent wel, dat zij theater speelde om hem te verleiden? Ze stond op het punt om hem een klap in zijn mooie gezicht te geven, maar beheerste zich. Uiteindelijk had de man niets onoorbaars gedaan. Plotseling voelde ze zich vreselijk moe.
‘Dank u voor het advies, ik ga nog even slapen. Maar mocht mijn vriendin morgen om 10 uur nog niet gevonden zijn, dan hou ik u hiervoor verantwoordelijk.’ Ze zag dat de man deze opmerking niet had verwacht.
Hij knikte en liep hoofdschuddend weg.
Ze schopte zij haar schoenen uit en trok haar kleren uit. Zonder haar make-up er af te halen stapte ze in haar ondergoed haar bed in. Eerst lag ze te draaien maar al gauw viel ze, mede door het zachte deinen en het regelmatige geronk van de motoren, in slaap. Ze droomde en hierin zag ze Muriëlle stomdronken lachend van het achterdek in het water springen, waarbij ze door de schroef vermalen werd. Het water kleurde knalrood. Drijfnat werd ze wakker. Ze zat met een ruk rechtop en keek naar de wekker. Half tien! Het bed van Muriëlle vertoonde geen afdruk. Zonder een douche te nemen kleedde ze zich snel aan. In de spiegel zag ze dat haar make up er nog mee doorging. Met haar vingers bolde ze haar kapsel op. In een opwelling opende ze de kluis en pakte de vliegbiljetten voor de terugreis. Op de gang struikelde ze bijna over een blad met de resten van een ontbijt. Enkele passagiers keerden al terug van de eetzaal. Iedereen lachte. Haar hoofd stond niet naar lichtzinnige praat. Even bekroop haar de gedachte hoe ze zou reageren als ze Muriëlle in de eetzaal stralend met een vreemde vent zou aantreffen. Woede en ongerustheid borrelden afwisselend in haar op. Ze liep speurend door de schreeuwerig gedecoreerde eetzaal, maar wie er ook zat, geen Muriëlle. Ook op het zonnedek geen spoor van haar vriendin. Ze stevende op de eerste man in uniform af die ze in het oog kreeg en vroeg naar Carl Sandström.
‘Hij heeft geen dienst mevrouw. Wat kan ik voor u doen?’
‘Brengt u mij naar de commandant,’ beval ze.
‘Mevrouw, dat kan ik zonder geldige reden helaas niet doen, daartoe ben ik niet gemachtigd.’
‘Als een passagier verdwenen is, doet u het dan wel,’ vroeg ze ijzig.
‘Vanzelfsprekend mevrouw.’
‘Mijn vriendin Muriëlle Latour met wie ik deze cruise maak, ik vannacht niet op haar kamer gekomen. Ook nu kan ik haar nergens ontdekken. Ik maak mij ernstige zorgen. Uw medeofficier Carl Sandström, heb ik vannacht hierover om een uur of 6 gewaarschuwd, en hij beloofde om alarm te slaan als mevrouw om tien uur nog niet boven water is gekomen.’ Ze keek op haar horloge. ‘Het is nu bijna tien uur. Ik wil de commandant nu spreken.’
Met duidelijke tegenzin ging de man haar voor.‘Komt u maar mee.’
Ze hoorde hem zacht mopperen dat de commandant niet thuis was voor geintjes.
Achter de man liep ze enkele gangen door. De officier stopte voor een deur waarop in gouden letters captain stond. De officier klopte en toen hij ja hoorde, opende hij de deur. Hannah zag dat de commandant boven de zestig moest zijn. Hij kwam plezierig over en had een goed onderhouden witte zeemansbaard. Zijn pet lag op zijn bureau.
Hij stond op toen zij binnenkwam en keek haar onderzoekend aan. Met zachte stem vroeg hij beleefd: ‘Wat kan ik voor u doen mevrouw.’ Hannah keek de commandant ernstig aan en vertelde hem wat er zich afgelopen nacht had afgespeeld. De commandant streek bedachtzaam met zijn hand over zijn baard. ‘Gaat u zitten mevrouw. Hebt u al ontbeten?’ Ze schudde van nee en er kwam een traan in haar oog. Was ze gisteravond maar zo verstandig geweest om bij Muriëlle te blijven. Maar ze wilde absoluut na de show naar het buffet en daarna nog aan de bar een drankje drinken want ze had zulke leuke mensen ontmoet met wie ze had afgesproken. Wie die mensen waren, wist ze niet. Ze had geen idee of dat een echtpaar was, of dat dit loslopende mannen waren.
De commandant begon orders te geven. Hij trommelde enkele officieren op en gaf bevel om het hele schip te laten onderzoeken. ‘Hut 402 zei u?’ Hannah knikte. Een van zijn officieren ging achter een computer zitten en even later zag ze haar eigen foto en die van Muriëlle op het computerscherm. De man printte de foto van haar vriendin uit. Hij bekeek hem en drukte nog een twintig tal exemplaren af. Een matroos nam de afdrukken mee. Na enkele minuten kwam er een steward met een blad binnen. Haar ontbijt. De commandant leidde haar naar een aangrenzend vertrek waar ze een tafel en vier stoelen zag. Het blad werd daar neergezet en de man wenste haar smakelijk eten. Met een discrete klik werd de deur dichtgedaan. Vanuit het commandocentrum dat naast het vertrek van de commandant was gelegen, hoorde ze dat er links en rechts bevelen werden gegeven. Even later hoorde ze de zes korte en een lange stoot van het alarm van man over boord gaan. Ze kreeg een knoop in haar maag en kon de koffie nauwelijks doorslikken. Op haar horloge zag ze dat na het alarm er al een half uur verstreken was. Ze stond op en keek door de patrijspoort. De motoren leken minder hard te draaien en ze zag een boot van de kustwacht naderen. Verdorie, nu zit Dubai er niet meer in spookte door haar hoofd en ze schaamde zich meteen dat die gedachte was komen bovendrijven. Ze pijnigde haar hersens af en kom geen enkele aanleiding vinden, waarom Muriëlle in zee zou zijn gesprongen. Dronken over boord geslagen? Vermoord? Maar waarom dan… Het bleef een groot raadsel. Ze pakte haar iPad uit haar tas en scrolde de foto’s door. Op een foto stond ze precies zo gekleed als gisteravond. Welke schoenen en sieraden wist ze ook nog precies, want daarover hadden ze gisteravond nog plezier gehad. De mannequins fluisterden de gasten achter hun rug. Zo werden ze wel vaker genoemd. Ze zag het lachende gezicht van Muriëlle in de spiegel weer voor zich, toen ze haar zware gouden ketting in haar nek vast maakte. Het grapje nu heb jij je vluchtkapitaal bij je, had ze afgedaan met: moet jij nodig zeggen met die ringen van jou. Je kunt ze als boksbeugel gebruiken. Zou ze Frans al bellen? Net overwoog ze dit toen de kapitein binnen kwam.
Hij keek ernstig en schudde zijn hoofd. ‘Geen spoor van uw vriendin.’
Ze toonde haar iPad en zei: ‘Dit had ze aan, ik weet het nog precies.’
Hij knikte geduldig. ‘Mevrouw, het hele schip is systematisch onderzocht. Ook op losse spullen, zoals schoenen, sieraden.’ Hij maakte een moedeloos gebaar.
‘Wat nu, moet ik haar man bellen?’
‘Dat zullen de autoriteiten doen. Was mevrouw verzekerd?’
‘Bedoelt u een levensverzekering? Die betaald toch niet uit voordat… het lichaam is gevonden.’
De kapitein gaf haar een teken hem te volgen.
‘Moet ik nu van boord?’
‘Dat moet u zelf beslissen.’
Hannah streek met haar hand door haar lange donkere haar. Ze wist dat ze beide mannen toch niet zou kunnen bereiken op hun weg naar Dakar.
‘Ik weet het niet,’ fluisterde ze, ‘onze echtgenoten volgen de race Parijs-Dakar, maar ik zou de kinderen kunnen waarschuwen.’
De kapitein maakte een gebaar dat ze het zelf zou moeten weten. ‘Kunt u er achter komen wie de mensen waren met wie ze gisteravond een afspraak had? Na de show wilde zeg wat gaan drinken met mensen die ze pas ontmoet had.’ Ze voegde er aan toe: ‘Ik weet alleen dat ze in de eerste shift aten. Wij eten altijd later.’
De kapitein dacht na en knikte. ‘Gaat u maar naar uw state-room.’
Ze stond op met rubberen benen. Hopend dat Muriëlle rustig in hun hut zou zitten, liep ze door de gangen. Haar mobieltje had geen bereik. Op het reisschema stond dat ze pas morgen in de bewoonde wereld zouden aankomen. Niets hield haar aandacht vast. Geen boek of spannende film kon haar boeien. Ze leunde achterover in de enige stoel van het vertrek en peinsde zich suf of ze iets kon ontdekken waardoor Muriëlle van boord zou zijn gestapt. Niets! Moord? Ook geen reden. Zou ze zich ergens verstopt hebben? Ook dat leek onwaarschijnlijk. Ze pakte haar iPad en ging internet op. Zoekend naar het aantal overboord geslagen passagiers leverde een tamelijk groot aantal op, maar daarbij zaten ook vissers die tijdens het ruwe werk het leven hadden gelaten. Ze hoorde geklop op haar deur. Carl Sandström stond voor haar deur. Hij zag er bleek uit en had kringen onder zijn ogen. Ze liet hem binnen.
‘Ik kom mijn excuses aanbieden.’
Sarcastisch zei ze: ‘Vinden jullie ooit iemand terug die overboord is gegooid?’
‘Maar…’
‘Jongeman ik ken mijn vriendin al ruim 35 jaar. Ze is erg knap en ik vermoed dat ze niet wilde ingaan op avances van een of andere vent. Zijn jullie er trouwens al achter gekomen met wie ze gisteravond na de show aan de bar hing?’
Hij knikte ontkennend.
‘Maken jullie aantekeningen van drinkebroers en seksisten?’
‘Nee. We houden het wel in de gaten als mensen vervelend gaan doen.’
‘Als jullie niets kunnen, wil ik graag de namen van de barkeepers die gisteren de laatste shift hadden weten. Als jullie niets in die richting doen ga ik zelf op zoek.’
‘Ik wil u graag helpen in mijn vrije tijd.’
Ze trok haar mondhoek naar beneden. ‘Wanneer weet jij die namen? Hemel de lunch is al bijna afgelopen.’
Hij ging haar voor en zei: ‘Ik praat wel met de keuken.’
In de eetzaal zaten nog 3 mensen. De ober maakte een handgebaar en zei: ‘Mevrouw u bent te laat.’
‘Dat zullen we wel even zien,’ zei ze boos en ging zitten. De gerant kwam al aangesneld. Hij fluisterde met de ober en gaf haar het menu. Veel trek had ze niet. Snel maakte ze haar keuze. Ze liet de helft van het voorgerecht staan en schoof haar stoel naar achteren. Carl stond bij de uitgang. Hij drukte haar een papier in de hand en maakte een verontschuldigend gebaar dat hij echt weg moest. Alle bars waren verlaten. Een van de pianisten stond bij een vleugel om zijn muziek te ordenen. Ze pakte haar Ipad uit haar tas en trok de man aan zijn jasje. Verbluft keek hij haar aan en gaf haar een guitige knipoog. Ze keek hem strak aan, toonde de foto van Muriëlle en zei: ‘Kent u deze vrouw?’
‘Zeker, een goede klant.’
‘Ik wil u even spreken.’
De man liet haar voorgaan naar een leeg zaaltje. Hij had zijn haar blond geverfd en probeerde zijn buik in te houden. De pianist knikte toen Hannah was uitgesproken.
‘Ja, er was een heer die werk van haar maakte.’
‘Weet u wie dat was?’
‘Zijn naam kan ik u niet zeggen.’
‘Bullshit, wie weet heeft hij haar vermoord en overboord gegooid. U kunt vast zijn foto herkennen.’
Aarzelend begon de man: ‘Ze wilden beiden van boord.’
‘Wat?’
Ze rende weg en botste tegen Sandström op. Buiten adem vertelde ze wat de pianist gezegd had.
‘Foto’s… toon hem alle foto’s van mannelijke passagiers.’
Ze begon te ijsberen. De pianist kuchte.
‘Ik neem aan dat die foto’s zo zullen komen.’
Sandström kwam aanzetten met een elektronisch apparaat, net zoals gebruikt bij het inschepen na een excursie. Hij mompelde in zichzelf en schakelde het apparaat in op passagiers en vervolgens op mannen.
‘Gaat u maar zitten, die zal wel even duren.’ De pianist knikte en bekeek de foto’s.
‘Kunt u het apparaat ook op leeftijd instellen?’
‘Nee dat lukt niet.’
‘Eerste shift eten dan?’ vroeg Hannah.
Ook dat kon niet. Ze stond met haar armen over elkaar en trommelde met haar vingers op haar bovenarm.
‘Dit is hem,’ hoorde ze de pianist roepen. ‘Zeker weten!’
‘Stevens, mijnheer Stevens,’ zei Sandstöm.’
‘Mag ik eens kijken?’ vroeg Hannah. Ze trok bleek weg, slaakte een kreet en zakte in elkaar.
‘Mevrouw… mevrouw… bent u er nog?’ hoorde ze Sandström roepen. Hij sloeg haar zacht op haar wang.
Ze voelde dat ze op een bank lag. Ze richtte zich op. ‘Het gaat wel weer. Verdorie hoe durft ze…’
‘Herkende u die man?’
‘Ja. Stevens heet hij niet. Die kerel is de echtgenoot van mijn vriendin.’
Sandström rende weg. De pianist stond er een beetje verloren bij. ‘U bent vast toe aan een borrel.’
Ze knikte en zag dat de man daar zelf ook van hield.
‘Blijft u maar even rustig zitten.’ Zwijgend dronken ze een dubbele whisky. Hannah keek op haar horloge en vroeg: ‘Mijnheer herinnert u zich nog welk nummer de hut van die zogenaamde Stevens had?’
‘502 mevrouw. U wilt toch niet…’
‘Ja, dat wil ik wel. Ik ga eens poolshoogte nemen.’ Ze voelde zich misbruikt en pijnigde haar hersens af. Frans wilde vast vluchten, maar waarom? Een financiële schuiver? Toch moord? Ze stond al voor hut nummer 502 en klopte. Ze zag een woedende Sandström aankomen. ‘Bent u gek geworden? Dit moeten wij onderzoeken.’
‘Nou erg snel zijn jullie niet.’
‘U gaat naar uw stateroom en wel nu.’
‘Verdorie, ik ben degene…’
Sandström pakte haar bij haar arm en zei: ‘Orders van de kapitein mevrouw.’
Mokkend liep ze naar haar hut. Ze pakte een flesje uit het koelkastje en schonk zich nog een whisky in. Starend over het water, begon het haar te dagen. Woedend was ze. Met een vertrokken gezicht liep ze naar haar state-room, zoals de kapitein de hut noemde. Ze sloeg de deur achter zich dicht en pakte Muriëlle mobieltje. Geen bericht van iemand die als Stevens was ingescheept. Ze scrolde verder en keek naar documenten. Een bijlage trok haar aandacht. Ze kreeg het niet geopend. Nieuwsgierig zond ze het bericht naar haar eigen e-mailadres. Het doorsturen nam heel wat tijd in beslag. Ondertussen bevoelde ze de voering van Muriëlle’s koffer. In het binnenwerk was een verdikking.
‘Ping,’ hoorde ze. Ze pakte haar iPad en hield haar adem in toen ze het attachment geopend had. ‘Verdorie…,’ sprak ze hardop. Waarom had ze niets gezegd? Uit niets was gebleken in welke situatie Muriëlle en Frans terecht waren gekomen. En nu had ze de kapitein ingelicht. Die Sandström jongen wist nu ook al teveel. Zuchtend vroeg ze zich af wat ze nu moest doen. Wachten tot Dubai? Nu haar eigen man een mailtje sturen? Ze pakte een nagelschaartje en pulkte de voering los. Iemand had dit zo netjes gedaan dat het nauwelijks zichtbaar was, waar de opening gemaakt was. Net wilde ze de enveloppe er uit trekken, toen ze een klopje op de deur hoorde. Snel sloot ze de koffer en liep met kloppend hart naar de deur. Carl stond voor de deur. Hij zweeg en keek haar onderzoekend aan. Ze hief haar kin op en vroeg: ‘Wat is het laatste nieuws?’
‘Ik kreeg van de kapitein opdracht om u aan de politie over te dragen. U weet vast meer.
‘Dat is absurd,’ sprak ze nijdig. ‘Ik speel geen toneel. Mijn vriendin heeft mij niets gezegd over…’
‘Over wat mevrouw?’ Ze kromp in elkaar. Carl stond onbeweeglijk voor haar. ‘Het spijt me, maar ik hou er niet van om gebruikt te worden.’
‘Gebruikt? Ik ben gebruikt. Zijn ze nog aan boord of hoe zit dat?’
Carl schraapte zijn keel. ‘U kunt beter meewerken met justitie.’
‘Ik weet van niets!’
‘Uw gezicht zegt anders. Kom vertel, wat heeft u ontdekt? Staat er iets op haar telefoon? Heeft u iets in die koffer gevonden?’ Ze liet zich op het bed vallen. Carl opende de koffer en pakte de enveloppe.
‘Daar heb je het recht niet toe,’ riep ze.
Hij hield haar tegen, pakte haar arm stevig beet. ‘Wel als er misdrijf in het spel is. Ik ben toevallig jurist.’
Carl kon het document niet lezen.
‘Geef mij maar.’
Hij wilde het niet afgeven.
Hannah stond op en trok het uit zijn hand. Het document scheurde. Verbouwereerd liet Carl het los. Snel trok ze zich met het document terug in de badkamer en deed de knip op de deur. Zittend op de wc las ze de tekst. Carl bleef op de deur kloppen. Na tien minuten deed ze de knip van de deur.
‘Een faillissementsverklaring,’ zei ze droog. ‘Geloof me, ik wist van niets. Zet me desnoods aan een leugendetector, maar ik vertik het om door de politie opgesloten te worden. Alles goed en wel. Zijn ze beiden nog aan boord of zijn ze overboord gesprongen? Hebben jullie de kamer van Frans onder de naam van Stevens onderzocht?’
‘De deur is verzegeld, er was niemand.’
‘Er moet toch iets te vinden zijn… een afscheidsbrief…,’ sprak ze zacht voor zich uit. Plotseling draaide ze zich om en zei: ‘Kunnen ze met een rubberboot gevlucht zijn?’
‘Daar heb ik ook al aan zitten denken.’

Vol ongeloof stond Henri op de kade toen het schip in Civitavecchio aanmeerde. Hij trok Hannah snel mee naar de hal waar de koffers stonden. ‘Hoe?’ vroeg ze en hij wees op de kaart met visitor. ‘En jullie Dakar plan?’
‘Hij moest halverwege dringend weg.’
‘Zei hij waarom?’
Henri knikte en schopte boos tegen een koffer.
‘Failliet is toch geen reden om…’
Henri keek haar smalend aan en siste: ‘Je dacht toch niet dat hij zelfmoord ging plegen.’
‘Vermoedde jij iets?’
‘Ik heb hem nog geld geleend.’
‘Wat? Veel?’
Henri knikte schaapachtig.
‘Zijn we nu…’
‘Ja, blut. Ik heb zelfs schulden gemaakt. Verkoop je juwelen maar.’
‘Gotsamme! Weten de kinderen iets?’
‘Die zijn helemaal over de rooien.’
‘Moeten we ons huis verkopen?’
‘Staat al in de verkoop.’

Drie jaar later stond er een bode op de stoep van de galerijflat. ‘We hebben heel wat moeite gehad om u te vinden mevrouw,’ zei de man en overhandigde haar een dikke enveloppe. Hannah tekende en maakte de enveloppe nieuwsgierig open. Ze stond net met de vliegtickets in haar hand toen Henri thuiskwam.

Tijdens de vlucht raasden diverse scenario’s door hun hoofd.
Op Barbados airport keken ze nieuwsgierig rond. Een man in een zwart pak sprak hen aan. Hij vroeg hun naam en wees naar een gereedstaande auto. Zwijgend lieten ze zich over het eiland rijden. Na een half uur zagen ze een hoge witte muur. De man drukte een afstandsbediening in. Langzaam ging het geblindeerde hek open. Overal bewaking. Een stel dobbermand liepen onrustig rond. Hannah kreeg kippenvel en pakte Henri’s hand. De auto stopte voor een statig bordes. Een andere man deed het portier open en blies op een hondenfluitje, waarna de dieren gingen liggen. Bruinverbrand kwam Frans hen in een wit linnen overhemd over een witte broek hen met uitgestoken hand tegemoet.
‘Wat moet dat betekenen Frans. Eerst laat je niets van je horen, ik moest zelfs mijn huis verkopen en nu sta jij hier als een grote mijnheer.’
‘Kom binnen, dan leg ik het allemaal uit.’
‘Durf je dat… verdomme je hebt drie jaar van mijn leven verpest en ik, sukkel heb je nog proberen te helpen.’
‘Ik heb jouw kapitaal verviervoudigd Henri.’
Hannah keek met open mond naar Muriëlle die in een duur gewaad op haar afkwam. ‘Hoe kon je…’ was alles dat ze kon uitbrengen.
‘Liefje, ik moest wel.’
‘Had dan tenminste iets gezegd, dit gebrek aan vertrouwen…’
‘Het is nu toch weer goed allemaal.’
‘Nee, je kunt niet zo even de knop omdraaien. Dat pik ik niet.’
‘Kom doe niet zo kinderachtig. Kijk eens hoe we nu leven. Het huis naast ons staat voor jullie klaar.’
‘Ik pieker er niet over. We gaan terug.’
Frans en Henri waren diep in gesprek. Een bediende was al bezig om een lunch klaar te zetten op een overdekt terras. Ze hoorde woorden als investeren, handel… Ze voelde zich nog steeds enorm bedrogen.
‘Kom Hannah we worden aan tafel verwacht,’ riep Henri.
‘Ik wil naar huis,’ riep ze mokkend.
‘Dat zal niet gaan,’ hoorde ze Frans zeggen en zag de loop van een pistool op zich gericht.

DE KAT MET DE GROENE OGEN

DE KAT MET DE GROENE OGEN

 

Quirine voelde een lichte opwinding. Nog een uur de tijd gaf haar Cartier horloge aan. Straks… Sportief chic gekleed met een lang beige kasjmier vest en een bij haar Ferragamo schoenen behorende tas, wierp ze een laatste blik in de spiegel. Haar leeftijd was haar niet aan te zien, de kapper had zijn best gedaan en de passende make-up deed haar groene ogen goed uitkomen. Vermanend tikte ze tegen het raam toen ze iemand betrapte die zijn fiets tegen de trapleuning van haar grachtenpand met het bekende blauw/wit schildje probeerde vast te maken. Het bordje ‘don’t even THINK of parking your bike here, had helaas weinig effect. Deze fietser liep door. Ze was van het mooie huis gaan houden en thuiskomen bleef een genot als ze door de statige marmeren gang met het ouderwetse liftje liep om naar de bel-etage te gaan. Bij mooi weer genoot ze van de stadstuin waarin ze tussen de keurig symmetrisch geschoren buxushaagjes witte rozen had geplant. In het souterrain huisden Stien en Klaas, het echtpaar dat haar ouders jaren lang had gediend. Een kleine tien jaar geleden was ze hier weer komen wonen, eerst met haar ouders en na hun overlijden, had ze het huis geërfd. Doodzonde om dit mooie grachtenpand aan de staat te laten vervallen, want verdere familie had ze niet. Haar moeder was 46 toen zij geboren werd. Nu was ze bijna veertig. Vrienden had ze genoeg, maar na Octavio had ze de ware nooit ontmoet. De man met wie ze straks een afspraak had, zou dat misschien kunnen worden; via een datingsite nog wel, iets waarvoor ze jaren haar neus had opgehaald. Verliefd worden moest spontaan gebeuren en niet via een computer. Bovendien vond ze het erg indiscreet om je beste en slechtste eigenschappen te moeten invullen; terwijl ze ook nog een aardig bedrag aan een bureau had betaald dat beweerde aan screening te doen, zodat je geen kat in de zak zou kopen. Nou ja kopen? Krijgen? Zo werkte een relatie niet; bovendien kon iedereen schrijven wat hij of zij wilde. Op het scherm van haar Apple bekeek ze nog even zijn foto: knappe vent, open gezicht, blauwe ogen en donker haar. Deze Paul van Nispen deed haar sterk aan Octovio denken. Had ze daarom op zijn bericht gereageerd? Verder las ze: 42 jaar, veel gereisd, geen tijd gehad om een relatie op te bouwen, eigen zaak verkocht en zocht een erudiete vrouw. Wat had zij ook weer over zichzelf geschreven? Ze las haar tekst op het scherm nog even door en knikte goedkeurend.
Quirine liep de tuin in om te voelen of ze een jas zou aantrekken. Stien was bezig om het kooitje van haar kanariepiet te verschonen. ‘Zo Stien, aan het werk voor Piet?’
‘Mevrouw, de kooi maak ik elke drie dagen schoon. Piet is ook niet meer de jongste. Bakteries, dat weet u wel.’
‘Ja Stien…, reinheid. Hoe is het met Klaas?’
‘Goed mevrouw. Gaat u uit? U ziet er zo mooi uit. Is mijnheer Simon vertrokken? Ik zie hem niet meer.’
‘Ach, Stien…’ Ze haalde haar schouders op, ‘kom, ik moet er vandoor.’
Simon had hier twee jaar gewoond. Een nette vent, maar hij was steeds saaier geworden. Toen hij verwachtte dat zij aldoor voor hem klaar stond, had ze hem verzocht te vertrekken. Nu was ze al bijna een jaar alleen. Quirine liep over de gracht naar de Vijzelstraat, ruim op tijd voor haar afspraak in de lounge van hotel de l’Europe. Binnen zag ze hem al zitten op een van de rode stoeltjes met de International Herald Tribune opgevouwen op het tafeltje. Hij droeg een pak van goede Italiaanse snit, mooie schoenen en sokken en zijn gele das had precies de juiste kleur. Niets op aan te merken.
Hij stond op. ‘Quirine?’
Ze knikte. ‘Paul?’ Beiden schoten in de lach.
Maurice kwam aangesneld. ‘Mevrouw van Raalte, het gewone recept?’
Ze keek Paul vragend aan. ‘Prima, voor mij ook graag.’
‘Je weet niet waaraan je begint,’ zei Quirine en ging op de witte bank zitten. Maurice bracht twee gin tonics. Ze hadden net een slok genomen, toen Pauls mobieltje ging.
‘Paulo?’ hoorde ze een Italiaanse vrouwenstem duidelijk vragen. Zonder een spier te vertrekken zette hij zijn mobieltje af. ‘Mijn excuses dat ik dat dit liet aanstaan.’
Quirine keek uit het raam. Paul had na dit telefoontje weinig meer te melden. Ze keek op haar horloge, bijna half zes zag ze.
‘Heb je al honger?’ vroeg hij.
‘Och, honger is een groot woord. Overigens, de keuken is hier uitstekend.’
‘Mag ik je straks voor een etentje uitnodigen?’
‘Hier?’
‘Ja, tenzij je liever ergens anders wilt eten.’
Ze schudde haar hoofd. Paul stond op en en liep weg. Ze zag hem tamelijk lang met Maurice staan confereren.
Hij ging weer bij haar zitten.‘Zo, tafeltje gereserveerd. Wil je nog een drankje?’
Ze wees naar haar nog bijna volle glas.
Paul keek haar vriendelijk aan en ze voelde haar hart een sprongetje maken. Leuke vent, normale man zo te zien.
‘Blijkbaar woon jij hier in de buurt, ik mag toch Quirine zeggen?’
Als we vormelijk blijven doen, leren we elkaar nooit kennen.’
Hij kuchte en wist blijkbaar niet hoe hij de conversatie op gang moest brengen.
‘Vertel eens iets meer over jezelf Paul.’
Hij vouwde zijn handen en keek even in de verte.‘De meeste dingen weet je al.’
‘Ja, wat in je dossier stond, maar dat is niet de echte Paul.’
Licht verward door haar opmerking sprak hij: ‘Goed, ik ben dus nooit getrouwd en nu zou ik graag mijn leven met een lieve vrouw willen delen. Door mijn vele reizen was voor vriendschap en liefde gewoon geen plaats. Leven in hotelkamers, hoe mooi ook, dat is het niet. Jij lijkt mij een warm interessant mens. Mag ik je vragen wat jij doet, daar was je nogal vaag over.’
Ze glimlachte. ‘Ach, zo interessant is dat niet, dus heb ik dit niet vermeld. Ik restaureer porselein.’
‘Bij een museum?’
Ze schudde verbaasd haar hoofd. ‘Nee ik heb een eigen atelier.’
‘Precies werk zeker?’
‘Zeer precies. Zeg Paul, waar woon je nu? Nog steeds in een hotel?’
Hij knikte. ‘Zeg Quirine, morgen is het zaterdag. Ben je vrij?’
‘Ik ben eigen baas.’
‘Mag ik je uitnodigen voor een weekendje Parijs?’
Ze keek bedenkelijk. Zo’n snelle reactie had ze niet verwacht, hoewel ze daar vroeger anders over had gedacht.
‘Aparte kamers uiteraard.’
Ze vouwde haar handen.‘Ik wil daar tijdens het eten over denken. Goed?’
Zo kabbelde de conversatie voort en het schoot niet echt op, maar wilde ze dit wel? Paulo was zeer aantrekkelijk. De vrouwelijke gasten die zoetjes aan richting restaurant liepen, bekeken haar afgunstig. Maurice kwam zeggen dat hun tafeltje gereed was en fluisterde haar toe: ‘Mijnheer heeft een heerlijk menu uitgekozen.’
In gedachten gaf ze Paul een plusje.
Het dinertje was een groot succes. Na een fles wijn kwam het gesprek goed op gang en voelde het of ze elkaar al jaren kenden. Na de koffie vroeg Paul de rekening.
‘Ik heb genoten Paul. Hartelijk dank.’ Ze gaf hem een hand over tafel en Paul drukte daar een kus op.
‘Ik heb mij ook tijden niet zo goed gevoeld. Quirine, mag ik nog vragen of je met mij mee naar Parijs wil? Een ticket kan ik zo regelen met al mijn airmiles.’
Ach, waarom niet, dacht ze. ‘Afgesproken, maar wel aparte kamers. Ik ben niet zo eentje….’
‘Dat apprecieer ik. Mag ik je thuisbrengen?’
Ze keek hem schalks aan. ‘Vooruit dan maar.’
Samen liepen ze naar haar huis. ‘Woon je in een grachtenpand?’
Ze knikte stil. Plotseling liep er een zwarte kat met fel groene ogen op haar af. Het beest keek haar spottend aan. Ze verstijfde. De kat… Ze wankelde even en leunde tegen Paul aan. Met moeite kreeg ze haar stem terug.’Hier woon ik. Hoe laat moet ik morgen klaarstaan Paul?’
Paul leek haar schrik niet te hebben opgemerkt. ‘Is zeven uur te vroeg?’
‘Helemaal niet. Casual of chic?’
‘Beiden graag.’
Ze knikte en ging de hardstenen trap op. Paul liep terug en keek niet meer achterom. In haar bed kon ze de slaap niet vatten. Het beeld van Octavio verscheen op haar netvlies. God, wat had ze van hem gehouden. Achttien was ze toen ze archeologie wilde studeren. Haar destijds zeventigjarige vader had haar gezegd: ‘Quirine, als je dit echt graag wilt, ga deze zomer dan naar Egypte, ik las net in mijn krant dat professor Octavio Monteleone jongelui zoekt om als vrijwilliger te graven. Hij is er van overtuigd een nieuw koningsgraf gevonden te hebben. Lieverd het is langdurig en zwaar werk. Je verdient niet veel, maar als het je passie is, ga daar meehelpen en als je dan nog enthousiast bent, betaal ik je studie.’
Zaterdagochtend stond ze met een klein koffertje buiten. Even later stopte een taxi. Paul knikte goedkeurend naar haar weinige bagage en mompelde iets over travelling light.
‘Goedemorgen Quirine, Je ziet er weer schitterend uit. Goed geslapen?’
‘Dank je Paul, jij ook?’
Hij knikte en hielp haar instappen. ‘Nu op naar Schiphol.’ Hij keek naar haar schoenen. ‘Prima om lopend de stad te gaan verkennen.’
‘Ken jij Parijs dan niet Paul?’
‘Alleen de hotels helaas. Ik heb veel gereisd maar weinig gezien.’
Ze had hem graag over ouders, broers of zusjes willen vragen. Straks, als we door Parijs lopen, doe ik dat wel. Paul keek strak voor zich uit. Bij de incheckbalie zag ze tot haar verbazing dat hij een Italiaans paspoort tevoorschijn haalde. ‘Wil je aan een raam zitten?’
‘Nee, middenpad… dikke mensen…’
Hij knikte begrijpend.
Na de controle vroeg ze: ‘Ben je Italiaan?’
‘Siciliaan van moeders kant.’
Ze slikte en moest aan Octavio denken, ook een Siciliaan. Warm, viriel en gepassioneerd. Niet alleen voor de opgravingen. De kat… zou de vloek toch echt bestaan?
‘Wat ben je ver weg. Je denkt toch niet…’
‘Ik dacht aan iemand die ik vroeger kende.’
Paul negeerde haar opmerking, maar ze kon zijn blik niet peilen.
In Parijs bracht de taxi hen naar een mooi klein luxueus hotel. Ze bewonderde haar kamer die verbonden was met die van Paul. De deur kon op slot en de sleutel stak aan haar kant in het slot. ‘Naar wens?’
‘Prima.’
‘Moet je iets uithangen? Wat wil je, nog een uitgebreid ontbijt of eerst lopen en daarna lunchen.’
‘Kies jij maar. Ik eet nooit op een vaste tijd.’
‘Over tien minuten bij de receptie?’
Ze liepen door Parijs, dronken een espresso op een terrasje en na een uur, pakte Paul haar hand vast. Amoureux in Parijs. Hij leidde haar naar Louvre, direct naar de Egyptische afdeling. ‘Een speciale tentoonstelling, die zal jou vast wel interesseren.’ Ze huiverde. Daar stond de kat, zwart met felgroene ogen, echte smaragden. Het boek lag er naast; haar boek. Ze wilde zich zo draaien dat Paul dit niet kon zien, maar ze hoorde hem fluisteren: ‘Zo dottore.’
‘Ik heb frisse lucht nodig,’ stamelde ze. Buiten keek Paul haar vorsend aan. Ze draaide zich van hem af en fluisterde: ‘En jij Paul, kende jij Octavio?’
Hij pakte haar bij haar arm en zei gesmoord: ‘Ik…’
‘Wist je het?’
Hij knikte.
Ze sloot haar ogen en zag de gebeurtenis in Egypte weer duidelijk voor zich. De ontdekking van de kat… Octavio …
Paul fluisterde: ‘Kom niet meer aan denken. Het nu allemaal voorbij.’
Ze keek hem aan. Een traan gleed over haar wang. Kon de klok maar teruggedraaid worden. Wat zou Octavio van deze tentoonstelling genoten hebben. Dat Paul haar juist naar deze tentoonstelling had geleid… Duizend vragen spookten door haar hoofd. Om het weekend niet te verpesten sprak ze gemaakt opgewekt: ‘Waar gaan we straks eten?’
Hij klopte zachtjes op haar rug en zei: ‘Good girl.’
Met trillende lippen liep ze verder. Paul gedroeg zich als de perfecte gentleman. In de kleine bistro bestelde ze een plat de jour en een koffie. Hij pakte haar hand en keek haar vorsend aan. Nog steeds voelde ze het grote verlies van Octavio, maar nu ze hier met Paul zat die zo vertrouwd over kwam, leek dat iets minder.
‘Nu, jij Paul. Vertel me over Octavio.’
‘Straks,’ sprak hij resoluut.
Ze veranderde van onderwerp. ‘Moet ik mij voor het diner verkleden?’
‘Graag. We hebben alle tijd. Je kunt eerst rustig een bad nemen.’
‘Prima voor mijn voeten.’
Hij gaf haar een discrete kus op haar wang. Ze voelde de neiging om zich in zijn armen te storten, maar hield zich in. Ze liepen over het beroemde kerkhof Père Lachaise en de Avenue Montaigne voordat ze bij het hotel kwamen.
In het bad dacht ze lang na. Octavio, de opgraving in Egypte, het ongeluk, haar proefschrift, het kwam allemaal weer boven. Hoe ze als achttienjarige smoor verliefd werd op Octavio… Hij had een vriendin, Alicia een struise blonde Zweedse vrouw die twee jaar ouder was dan de knappe man die alle vrouwelijke studentes het hoofd op hol bracht. Het volgende jaar kwam ze weer terug, nu met een jaar studie archeologie achter de rug. Tot haar vreugde zag ze dat Alicia niet meer met hem samenwerkte. Op een avond kon ze niet slapen. Alle vrijwilligers waren door het uitputtende werk van die dag in diepe slaap. Een onduidelijkheid over de hiërogliefen was in haar hoofd blijven malen, totdat ze door een flap van de tent naar de sterren had gekeken. Dat was het. Spontaan rende ze in haar dunne nachthemd naar de tent van Octavio. Hij had net gedoucht en droeg alleen een handdoek. Enthousiast vertelde ze over haar vondst. ‘Octavio, we kwamen er niet uit omdat we vergaten aan de sterren te denken. Kijk maar.’ Ze had een vel papier gepakt, de tekens geschreven en pijlen naar de stand van de sterren getekend.
‘Je bent een genie!’ had hij uitgeroepen en omhelsde haar spontaan. Verbaasd had Octavio haar aangekeken, alsof hij haar voor het eerst werkelijk zag toen ze hem vurig terug kuste. Zijn handdoek gleed op de grond. Met vochtige ogen stond ze voor hem en liet hem zachtjes haar nachthemd uittrekken. Hij tilde haar op en legde haar op zijn brede bed. Octavio drong gepassioneerd haar lichaam binnen. ‘God, je was nog maagd,’ had hij even later geschokt geroepen.
‘Ik wilde dat jij de eerste bent. Ik hou van jou al vanaf het eerste moment dat ik jou zag.’ Ze klampte zich aan hem vast en fluisterde: ‘Toe, nog een keer graag.’
Nu nam hij de tijd en ze keken elkaar aan terwijl beiden een hoogtepunt bereikten. Ze werden geliefden en bleven dat. Elk jaar ging ze naar de koningsvallei om in de vakantie te helpen met de opgraving van het nieuw ontdekte koningsgraf. Eenmaal afgestudeerd vertrok ze voor goed naar Luxor, waar ze ook haar proefschrift schreef. De tent van Octavio werd hun woning. Overdag werkten beiden hard, in de avond schreven ze hun bevindingen op, maar de nacht was voor haar. Dan had ze Octavio helemaal voor haar alleen. Elf jaar, onafgebroken werken, zich nauwelijks de tijd gunnend voor een vakantie, totdat… Het badwater was afgekoeld. Ze rilde en droogde zich stevig af. Met haar handen streelde ze haar borsten en dacht weer aan de liefkozingen van Octavio. Automatisch trok ze haar kleine zwarte jurkje aan en deed het parelsnoer om dat Octavio haar had gegeven. In de spiegel borstelde ze haar haar, trok mooie schoenen aan en zag dat het bijna acht uur was.
Paul klopte even later op haar deur. ‘Is de dottore klaar om te vertrekken?’
Ze knikte en probeerde stralend te kijken. Het restaurant was slechts enkele meters van het hotel verwijderd, een klein intiem lokaal, waar ze een tafeltje in een hoekje kregen om niet gestoord te worden. Verbeeldde ze het zich, of werd Pauls blik inderdaad steeds naar haar parels getrokken?
‘Kom, we maken het niet te laat,’ sprak Paul na de verfijnde maaltijd.
‘Ja, als we morgen weer veel lopen…’
Zwijgend liepen ze naar het hotel. Paul bleef voor haar kamerdeur staan en keek heel ernstig. Ze streek liefdevol met haar hand over het parelsnoer en sprak gesmoord: ‘Van je moeder he? God ik wist echt niet wie je was. Paulo heeft Octavio over mij gesproken?’
Als antwoord gaf hij haar een discrete kus op haar wang. Een prachtvrouw, deze woorden die zijn moeder over haar had gesproken echoden in zijn hoofd. Hij dacht aan zijn zoektocht naar haar via internet. Blijkbaar had ze zich nooit meer voor archeologie geïnteresseerd. Nog een bof, dat hij op de datingsite terecht was gekomen via een programma dat alle ingetoetste namen weergeeft. Nu vroeg hij zich af of dit wel zo verstandig was geweest. Zou ze boos worden als ze hier achter kwam?
De volgende ochtend ontbeten ze samen in een typisch Parijse bistro. Beiden vermeden angstvalling het onderwerp Octavio. De stemming bleef een beetje gespannen en Quirine probeerde om zo gewoon mogelijk te doen. Ze liepen veel, maar namen weinig van de mooie omgeving in zich op. Beiden waren teveel met hun gedachten elders.
Tijdens de terugvlucht vroeg ze: ‘Woon je echt in een hotel?’
‘Ja, ik heb net mijn ouderlijk huis in Zwolle verkocht en nu moet ik de laatste dingen afhandelen. Mijn vader is een half jaar geleden overleden.’ Als vanzelfsprekend ging hij met haar mee naar het grachtenpand. ‘Je kunt de logeerkamer krijgen, dan hoef je niet in een hotel.’
‘Graag Quirine.’ Hij zag aan haar blik dat ze hem vertrouwde. Om haar voor zich te kunnen winnen zou hij zich moeten beheersen. In de mooie logeerkamer moest hij in zichzelf lachen om de absurde situatie. Zat hij hier met een date en gebeurde er niets. Maar Quirine was niet zomaar een date, hij hoopte dat ze samen oud zouden kunnen worden.
De volgende dag gaf hij haar een grote enveloppe. ‘Dit zijn de brieven die mijn broer aan mijn moeder heeft geschreven. Over jou. Wil jij ze lezen?’
‘Hoe…?’ Ze keek hem vragend aan.
‘Octavio was mijn halfbroer, maar dat begreep jij al. Zijn vader hield er een maîtresse op na. Mijn moeder gaf schilderscursussen in ons grote huis op Sicilië en daar heeft ze mijn vader ontmoet. Ze werden verliefd. Paul van Nispen, mijn vader, trok bij haar in.’ Hij zuchtte.
‘Ga door, ik wil het graag allemaal horen.’ Paulo knikte. Hij stak zijn handen in de zakken van zijn sportjasje en begon te ijsberen.
Octavio kon af en toe net zo gelopen.
‘Mijn moeder wilde scheiden, toen Octavio’s vader er een andere vriendin op na hield. Ze hertrouwde met Paul van Nispen, die, om de familie voor uitsterven te behoeden, mij geëcht heeft. Zo werd ik van Paulo Monteleone, Paul van Nispen. Vanaf mijn vijfde jaar ben ik in Holland opgegroeid. Octavio…, we schreven elkaar en later mailden we. Hij was door het dolle heen toen jij een kind verwachtte.’
‘En?’
Hij keek naar de grond en fluisterde: ‘Mijn moeder had zo graag haar kleinkind gezien.’
Ze klapte helemaal dicht.
‘Quirine, waar is je kind?’ hoorde ze hem hees vragen.
‘Weten jullie dat niet?’ vroeg ze geschokt.
Hij schudde zijn hoofd.
Ze staarde stil voor zich uit.
Paulo wachtte rustig tot ze zou gaan vertellen.
Ze liep naar het raam dat uitkeek op de witte rozentuin. ‘Het ongeluk… we stonden naast elkaar ieder op een ladder. Ik hield de zaklamp vast en Octavio ontcijferde de laatste hiërogliefen. Ik was vijf maanden zwanger. We zouden trouwen. Hij had een post als professor op Sicilië aangenomen. Hij mocht een nieuwe faculteit archeologie in Catania opzetten. Plotseling…’ Ze kon niet verder gaan en boog haar voorhoofd tegen het koele glas.
Paulo pakte haar bij haar elleboog. ‘Kom ga even zitten.’
Ze knikte, liep met hem mee en begon: ‘Die brieven…’
‘In het Italiaans. Als je wilt kan ik ze voorlezen.’
‘Ja, graag.’
Paulo pakte het bundeltje en vroeg: ‘Wat wil je, vanaf het begin of liever de laatste?’
‘Begin graag.’
Samen op de bank begon Paulo de brieven voor te lezen. Octavio’s liefde voor haar, zijn tedere woorden het kwam allemaal weer terug. Ze dacht terug aan hun eerste samenzijn. Mijn kostbaarste kleine piramide, had hij het driehoekje tussen haar benen genoemd. Terwijl Paulo langzaam vertaalde, speelden alle dolgelukkige jaren samen met Octavio zich op haar netvlies af. Paulo interrumpeerde niet. Hij sprak rustig door en liet haar over aan haar herinneringen. Hun hartstocht, het samen schrijven van het boek over de vondst van de kat en de opgravingen. De publiciteit, de euforie van Octavio toen zijn ontdekking wereldkundig werd gemaakt. Quirine beleefde het weer allemaal in haar gedachten. De laatste brief was van zijn moeder, terug gestuurd na het overlijden van Octavio. Heerlijk dat jouw lieve Quirine een kind verwacht. Jongen, trouw met deze fantastische vrouw. Heb je haar mijn parels gegeven? Ik kan niet wachten om mijn kleinzoon in mijn armen te sluiten. Weet Paulo al dat hij oom gaat worden? Hier stopte Paulo en keek haar vragend aan.
Quirine sloot haar ogen. Als door een wesp gestoken, stond ze plotseling op en riep gesmoord: ‘Hemel, helemaal vergeten. Ik moet er vandoor.’
Paulo hielp haar in haar jas en sloot de deur. Hij voelde een lichte ongerustheid en vroeg zich af of hij haar niet beter achterna zou moeten gaan. Ze ging hopelijk geen gekke dingen doen. Zijn moeder wachtte vol ongeduld in Sicilië op nieuws van zijn kant. Ze was na de dood van Arnout van Nispen weer terug gegaan naar haar eerste man. ‘Beschouw dit ook als jouw huis Paulo,’ had zijn stiefvader hem gezegd. Hij herinnerde zich nog enkele flarden van de eerste vijf jaren van zijn leven dat hij hier had gewoond. De menage a quatre had niet gewerkt… Hij liep naar de logeerkamer en pakte het fotoalbum, het enige voorwerp dat de kleine Egyptische boefjes na de dood van zijn halfbroer niet hadden meegenomen. Nog een wonder dat het parelsnoer van zijn moeder niet gestolen was. Waarschijnlijk hadden ze het aangezien voor een goedkoop snoer. Paulo was direct na de dood van zijn halfbroer naar Luxor gevlogen. De politie wilde niet meewerken. Gelukkig had hij vrij veel geld bij zich, zodat hij het lichaam naar Sicilië kon laten vliegen. Een van de medewerkers had hem de tent getoond waarin alles was overhoop gehaald. Behalve het fotoboekje, ontbrak elk voorwerp van waarde. Tarouk, een kleine Egyptische jongen had hem de ladder getoond. Een sport was half doorgezaagd. Octavio was vermoord. Maar voordat hij in dit land een onderzoek op gang had kunnen brengen, moest hij omdat zijn visum maar kort geldig was, al weer vertrekken. Van Quirine had elk spoor ontbroken. Tarouk wist alleen de woorden dokter uit te brengen toen hij naar haar gevraagd had. Hij bladerde de foto’s van het grachtenpand en de afbeeldingen van Quirines ouders door. Alle kamers zagen er nog precies zo uit, behalve de studeerkamer van haar vader. Om in andermans spullen te snuffelen, was niet zijn gewoonte, maar hij wilde nu meer weten. Bovendien had hij zijn moeder beloofd om op zoek te gaan naar de zoon van Octavio. Langzaam liep hij de vertrekken door en vergeleek deze met de afbeeldingen van het kleine fotoalbum. In de studeerkamer stopte hij. Op het bureau zag hij een rood leren map welke hij hier nog niet eerder had zien liggen. Nieuwsgierig maakte hij deze open. Hij zag een stapeltje aan elkaar geniete rekeningen van een ziekenhuis in Luxor. Voorzichtig pakte hij het bundeltje op. Met moeite kon hij het slechte handschrift ontcijferen. De rekeningen dateerden van ongeveer tien jaar geleden. Madame Quirine van Raalte, 14 dagen hospitalisatie, met details als hersenschudding, anesthesie en medicamenten. De volgende rekening was van een orthopeed, met vermelding gecompliceerde botbreuken. Quirine had naast Octavio gestaan toen de ladder plotseling brak. Hij sloeg het blad om en zag een rekening van een gynaecoloog met de vermelding, miskraam, bloedtransfusies. Geschokt legde hij het papier terug. Dus daarom was Quirine niet bij de begrafenis. Hij zag nog kopie van een brief die haar vader aan de autoriteiten had geschreven. Paulo kon het niet laten om deze ook te lezen. Hierin beschuldigde haar vader de autoriteiten van corruptie. Hij had hen proberen aan te klagen omdat hij eerst een fors bedrag had moeten betalen voordat zijn dochter medische verzorging kreeg. Blijkbaar had Octavio nooit een werkvergunning voor haar geregeld. Typisch zijn oudere broer, die slechts een ding voor ogen had; zijn passie voor de archeologie. Toen hij de map dicht wilde doen zag hij een gestempeld document; hij probeerde het te ontcijferen en zag dat dit een uitvoervergunning was voor menselijke resten… Als verdoofd ging hij zitten. Peinzend keek hij rond tot zijn blik op de replica van de zwarte kat viel die op de schoorsteenmantel stond. Als gebiologeerd liep hij naar de kat met de groene ogen. Op de voet stond een bordje. Voorzichtig pakte hij de kat. De kop kon bewegen. Hij liep er mee naar het raam en las: Octavio junior, 5 maanden oud. Hieronder stond de datum; de dag dat zijn halfbroer was omgekomen. Vol ongeduld wachtte hij op de terugkomst van Quirine. Het werd al bijna donker en nog was ze er niet. Die brieven voorlezen was misschien niet zo’n goed idee geweest. Quirine had bij hem gevoelens opgeroepen waarvan hij het bestaan nooit had geweten. In de ban van de geliefde van zijn halfbroer. Hij lachte schamper. Zou ze hem expres hebben laten opdraven? Hij liep naar het raam en keek de gracht af. De straatlantaarns waren al aan. Doelloos liep hij het huis door. Met de telefoon in zijn hand om de politie te bellen, hoorde hij de voordeur.
Quirine stond doodstil in de gang toen hij de studeerkamer uitkwam. Haar blik was wazig. Even spraken beiden niet. Aarzelend deed hij een stap naar voren. Van haar rechterschoen was de strik af.
‘Wil je dat ik wegga,’ zei hij zacht. Ze bleef maar staren. Hij kon haar nog net opvangen toen ze begon te wankelen en droeg haar de studeerkamer in en legde haar op de bank. Voorzichtig trok hij haar schoenen uit en bekeek haar bloedende voet. Ze maakte een grimas toen hij zachtjes over de zwelling wreef.
‘Gezwikt,’ zuchtte ze. Hij liep naar de badkamer en zocht in de medicijn kast. Met een zwachtel, pleisters en ontsmettingsmiddel kwam hij terug. ‘Ik wilde net de politie bellen… ongerust dat je zo lang weg bleef.’ Hij knielde en begon met natte watten haar voet te bewerken.
‘Dat doe je kundig.’
‘Ik heb eerst medicijnen gestudeerd.’ Hij wachtte tot ze weer iets ging zeggen. Hij pakte haar hand en wreef die liefdevol. Quirine sloot haar ogen en begon zacht: ‘Ik…. jij… Octavio… ‘ Ze kreunde. ‘God het kwam allemaal terug. Ik moet dit verwerken… een lange wandeling… om… dit op een rijtje te zetten.’ Hij trok haar naar zich toe en sloeg zijn arm om haar heen. Aarzelend klampte ze zich aan hem vast. Na een diepe zucht liet ze hem los.
‘Zal ik iets te eten voor je klaarmaken?’
Ze knikte en stond langzaam met een pijnlijk gezicht op.
‘Wil je een pijnstiller?’
‘Het gaat wel. Liever een borrel.’

DE CONTAINER fragment

DE CONTAINER

Elisabeth pakte de post van de mat. Geen condoleance brieven meer… wel een poststuk van de belasting. Ze trok haar wenkbrauwen op en scheurde die enveloppe met haar vinger open. Prompt sneed ze zich aan het papier. Het deed flink pijn en het wondje begon te bloeden. Het ergerde haar dat ze niet even de briefopener had gepakt. Met haar vinger in haar mond viste ze de papieren uit de enveloppe en kreeg kippenvel toen ze het krankzinnig hoge bedrag zag.
Ze liep naar Alex bureau en zocht daar steun. Dat kon toch niet waar zijn, Robert had alle officiële zaken direct na Alex’ dood geregeld. Ze liet de papieren op het donker groen leren blad liggen. In de badkamer zocht ze een pleister. De spiegel toonde dat alle kleur uit haar gezicht was weggetrokken.
Met de pleister om haar vinger, liep ze terug naar Alex’ bureau, pakte de telefoon en drukte het nummer van Alex’ oude kantoor in. Trommelend met haar vingers op het bureau wachtte ze tot ze verbinding kreeg.
Gelukkig kon Robert haar gesprek meteen aannemen.
Voordat hij iets kon zeggen stak ze van wal.
‘Robert, dit is van de gekken. Als executeur heb jij toch alle papieren van de belasting gekregen? Net krijg ik weer een brief van die lui… volgens hen moet ik over Rosenburg erfbelasting betalen… ja, die ambtenaren willen een belachelijk bedrag… over mijn eigen bezit nog wel. Dat kan toch niet… Ze moeten een fout gemaakt hebben. Kan jij ze dat vertellen?’
‘Elisabeth, ik zal die brief toch eerst moeten lezen.’
‘Kan je niet meteen komen? Ik sta te trillen op mijn benen.’
‘Oké, ik kom wel. Maak je niet druk.’
‘Dat doe ik wel, een of andere sufferd heeft een fout gemaakt en…en…’
‘Alsjeblieft, ga rustig zitten. Eerst moet ik die papieren doorlezen voordat ik actie kan ondernemen.’
‘Goed Robert, fijn dat je kunt komen… hoe laat?’
‘Ik heb nu nog een afspraak…ik… eh… ‘
Ze hoorde hem in zijn agenda bladeren.
‘Zo snel mogelijk na 6 uur.’
‘Fijn.’
Ze verbrak de verbinding en zakte achterover in Alex bureaustoel. Met haar handen wreef ze over haar gezicht. De klok gaf vier uur aan. Ze streek de papieren glad al voelde ze de neiging opkomen om deze te verscheuren.
Ze keek regelmatig op haar horloge en liep doelloos door haar flat.
Zodra de bel ging haastte ze zich naar de voordeur. In het kijkglaasje zag ze Roberts gezicht. Snel deed ze open. ‘Robert, fijn dat je meteen kon komen. Eerlijk gezegd heb ik het niet meer.’
Ze ging hem voor naar de woonkamer en keek naar de zwartleren map die hij bij zich had.
‘Ga zitten. Robert wat heb je nu weer bij je? Ik dacht dat alle formaliteiten al zijn afgehandeld. Kijk dit is het.’
Robert, keurig in krijtstreep pak, nam de aangeboden papieren aan en zette zijn zwart leren tas neer. Na een gebaar van haar ging hij achter Alex’ bureau zitten. Ze pakte het stoeltje tegenover het bureau en leunde met beide handen op de rugleuning.
Robert begon de papieren op zijn gemak door te lezen, waarbij ze de neiging onderdrukte om meteen naar het bedrag te wijzen. Met moeite probeerde ze zo rustig mogelijk te wachten tot hij opkeek.
‘Robert, dit kan niet.’ Elisabeth plukte een pluisje van haar beige kasjmier vest.
De jonge advocaat schoof ongemakkelijk op zijn stoel en haalde hulpeloos zijn schouders op.
Elisabeth boog naar voren. ‘Je wilt toch niet beweren dat ik dit moet betalen?’ Ze trommelde met haar vinger op de naam Dolak. ‘Von Wohlleben moet het zijn. Rosenburg is van mij. Het zou toch te gek zijn als ik over mijn eigen bezit erfbelasting moet betalen?’
‘De papieren…’
Driftig zwaaide ze met haar wijsvinger. ‘Niets, die papieren. Rosenburg is van mij.’
‘Maar Alex heeft daar toch gewoond? Hij betaalde de restauratie.’
‘Jongen, de vader van Alex was onze rentmeester. Hij woonde met zijn gezin in het poorthuis. Eerst pikten die afgrijselijke communisten de huizen van het personeel in en werd mijn vader verplicht om inwoning te accepteren. Zo kwamen de Dolaks op ons kasteel te wonen. Je kunt je niet voorstellen hoe dat gegaan is.’
‘Maar zijn naam…’
‘Blijkbaar hebben de ambtenaren in Praag Dolak ingevuld in plaats van von Wohlleben. Het was Alex die naar Praag ging om de terugvordering te regelen. Als advocaat kon hij dat beter dan ik.’ Ze snoof. ‘Je weet hoe sommige ambtenaren nog op vrouwen neerkijken. Mijn vader, baron von Wohlleben, kreeg geen cent toen de communisten zijn bezit inpikten. Na ruim veertig jaar kreeg ik het terug. Nou kreeg… Alex heeft hemel en aarde bewogen… toen ik Rosenburg zag… uitgewoond door een stel barbaren en subsidie om de ellende op te knappen, ho maar. Gelukkig heeft mijn vader dit niet gezien. Hij zou een hartstilstand…’ Ze sloeg haar hand voor haar mond en sloot even haar ogen.
‘Elisabeth, ik zal kijken wat ik kan doen.’
‘Sorry, wat ben ik voor een gastvrouw. Natuurlijk is het niet jouw schuld. Ik zit hier maar te klagen. Wil je een glas wijn Robert?’
Hij knikte.
Ze liep naar de ouderwetse keuken en kwam terug met een fles en twee kristallen glazen. ‘Vroeger was onze wijn een top product. Alex wilde eerst het slot restaureren en daarna de wijngaard aanpakken. Nu…’
‘Je mist hem erg hè?’
‘Vreselijk Robert. We kenden elkaar door en door. God, waarom kreeg hij die stomme hartstilstand…’
Ze zette de glazen voorzichtig neer en gaf hem de kurketrekker. Robert ontkurkte de fles en rook aan de kurk. Ze schoof de glazen in zijn richting en keek hoe hij die zorgvuldig in schonk.
Beiden hieven het glas.
‘Hm, lekker.’ Robert knikte.
‘Robert, je bent te beleefd. Het smaakt naar niets. Probeer iets aan die erfbelasting te doen. Als mijn laatste geld ook nog eens wordt ingepikt, kan ik het opknappen van de wijngaard vergeten en dan bedruipt Rosenburg zich nooit.’ Ze streek een grijze lok uit haar gezicht en zuchtte.
‘Kom, niet de moed verliezen, dat is niets voor jou.’
‘Jij hebt gemakkelijk praten, je bent nog jong. Zoveel jaren om het domein te herstellen heb ik niet meer.’
‘Elisabeth, ik begin met het vragen van uitstel.’
‘Uitstel… maar zie je dan niet dat…’
‘Zo werkt het niet. Na uitstel, stuur ik een bezwaarschrift, liefst natuurlijk met documenten waaruit blijkt dat jij en niet Alex de eigenaar bent… was… maar…’
‘Alle documenten die we hadden heeft Alex meegenomen naar Praag. Daarop heeft hij teruggave kunnen regelen. Ik geloof dat hij die moest afgeven… oh… nee.’ Ze slikte.
‘Ik zal alles proberen…’
‘Fijn. Het spijt me, maar dit had ik nooit verwacht… om ook nog eens…’
‘Gaat het? Ik moet er helaas vandoor… moet nog iets opzoeken.’
‘Fijn dat jij dit wilt doen. Dank voor je bezoek, groeten aan Berthe.’
Robert trok een gezicht, waaruit ze niet kon opmaken of het deze brief van de belasting betrof of zijn vrouw Berthe.

Ze kon wel huilen toen ze hem uitliet. Morgen wilde ze naar Rosenburg. Op haar horloge zag ze dat het al bijna 10 uur was.
Woelend in haar bed telde ze de slagen van de kerkklok en kwam tot 6. Door haar oogharen zag ze dat het al licht was. Haar hand gleed over het laken naar de plek waar Alex bijna 40 jaar had gelegen. Waarom was je zo stom om mijn naam niet te melden…

Zittend op de rand van het bed, zochten haar voeten de slippers. Ze liep naar de badkamer en opende de kraan van de douche. Het water werd niet warm.
Alles komt ook tegelijk, mompelde ze.
Door de koude douche was ze wel meteen wakker.
In haar kamerjas liep ze naar de garderobe en zocht sportieve kleren voor Rosenburg.
Gekleed in een beige linnen broek en blouse liep ze geeuwend de zitkamer in en trok de lange zachtblauwe zijden gordijnen open. Zou ze dit appartement en het antiek nu moeten verkopen? Een brede lichtstraal viel op de vitrinekast met het kostbare Meissen servies; haar grootmoeders trots. Niemand wilde nog serviesgoed hebben dat niet in een afwasmachine kon.
De antieke spiegel hing scheef, iets waaraan Alex zich altijd aan had geërgerd. Alsof ze hem nog een plezier kon doen, pakte ze een punt van de rijk bewerkte vergulde lijst en gaf deze een zetje. Meedogenloos weerkaatste het verweerde glas enkele nieuwe lijnen in haar gezicht.
Korzelig pakte ze de vuile glazen en de halflege fles. Automatisch rook ze aan de hals en keerde hem boven de gootsteen om. Terwijl het restant rode wijn langzaam over de kleine zwart-witte tegeltjes in de afvoer verdween, staarde ze naar de omgekeerde foto van slot Rosenburg op het etiket.
Automatisch zette ze een Meissen kopje onder het espressoapparaat. Ze keek hoe het kopje gevuld werd en zette de machine af.
Met kleine slokjes dronk ze het brouwsel, al proefde ze het nauwelijks. Ze balde haar vuisten en staarde naar de belastingpapieren op Alex’ bureau. Geen moment had ze er bij stilgestaan dat ze successierechten zou moeten betalen en zeker niet dit krankzinnig hoge bedrag.
Als succesvolle advocaat had Alex altijd keurig zijn vermogen aan de belasting opgegeven. Alex had moeten vechten om het domein te kunnen terugvorderen en de restauratie had zijn fortuin grotendeels opgeslokt. Oneerlijk, oneerlijk, ging als een mantra door haar hoofd.
Robert, Alex’ jonge opvolger, hield zich als advocaat ook aan de wet. Oplichters trokken zich nooit iets van de regels aan en kwamen daarmee ook nog weg. In een flits zag ze de ijdele Todor voor zich.
Alex was pas twee maanden dood. Ze had naast hem gezeten toen hij een acute hartstilstand kreeg. Hij had haar nog iets willen zeggen, maar zijn gemompel was onverstaanbaar. Zelf had ze hartmassage toegepast, de ambulance was er binnen vijf minuten en ook in het ziekenhuis konden de artsen niets meer voor hem doen.
Zijn veel te vroege overlijden had ze nauwelijks verwerkt en nu kreeg ze ook nog eens deze aanslag. Om Rosenburg te af te staan kon ze niet over haar hart verkrijgen. De verkoop van haar Weense appartement met hoogst ouderwets sanitair, zou zeker niet gauw lukken. Ze had nooit geld willen uitgeven om dit op te knappen, maar een spaarpotje gemaakt in de hoop ooit weer op Rosenburg te kunnen wonen. Dit was nog niet de helft van het bedrag dat ze als erfbelasting zou moeten betalen.
De klok sloeg zeven uur. Als ze even opschoot zou ze twee uur later bij Rosenburg kunnen aankomen.
Na het sluiten van het hoge raam, trok ze de gordijnen half dicht, gaf haar planten een plens water en pakte de mooie weekendtas, het laatste cadeau van Alex. Ze streelde het zachte leer en zocht enkele praktische kleren. Ze wikkelde de ingelijste foto van Alex in haar nachthemd. Zuchtend stopte ze die voorzichtig tussen haar kleren. Na het inpakken van enkele toiletspullen was ze klaar om te vertrekken.
Naar Rosenburg nam ze nooit een handtas mee; haar lichte bodywarmer met vier zakken was handiger. De sleutelbos van Rosenburg zat daar altijd in. Nu nog haar rijbewijs, geld, creditcard, Alex nieuwste smart Phone en de autosleutels.
Ze sloot af en liep de hardstenen trap af. Het geluid van haar hakken weerkaatste eenzaam en hol in de royale entree.
Beneden zat de conciërge op haar stoel te slapen. Voorzichtig schudde Elisabeth haar wakker. Het mensje schrok. ‘O, mevrouw Dolak, gaat u weg?’
‘Ja, ik ga enkele dagen naar Moravië. Kun je voor de post en de planten zorgen?’
‘Ja mevrouw Dolak, natuurlijk mevrouw Dolak.’
Elisabeth knikte, gaf haar het briefje met Alex’ mobiele nummer en liep naar de auto. Ze kon prima met Alex’ Range Rover overweg. De weg, een dikke honderd kilometer, kon ze wel dromen.
Even buiten Wenen zag ze dat er weer een stuk autoweg was klaargekomen. Haar gedachten waren zo bij Rosenburg dat ze na waarschuwend getoeter prompt op de rem trapte. De veiligheidsriem sneed in haar borst. Geschrokken keek ze speurend om zich heen en zag gelukkig nergens politie. Ruim negentig kilometer in de bebouwde kom en ook nog door het rode licht, dat kon een forse bekeuring opleveren. In haar achteruitkijkspiegel zag ze een van de wegwerkers met zijn vinger op zijn voorhoofd tikken.
Met aandacht voor de weg in plaats van onoplosbare rampscenario’s te bedenken, kwam ze bij de Oostenrijkse dorpjes tegen de grens met Tsjechië. De oude kleine wijnkelders, bedekt met gras, werden nog steeds gebruikt. Ze passeerde de openstaande grens en reed even later door Mikulov, waar de mensen druk bezig waren om de oude huisjes op te knappen. De daken met de platte terracottakleurige leitjes gaven het stadje hun oude uitstraling weer terug.
Buiten Mikulov reed ze via een landweg naar Rosenburg.
Het grote smeedijzeren hek stond open, een teken dat haar tuinman Rudy weg was. Ze reed door tot het bordes met de verweerde leeuwenkoppen en zette de motor af.
De voorkant van het kasteeltje had nu de oude gele kleur weer terug. Met gevulde plantenbakken zou het slot er minder doods uit zien. Ze stapte uit en wisselde van schoeisel. De buitenlucht, een mengsel van bos en velden werkte verkwikkend. Ze rekte zich even uit en keek naar de wijn velden.
Haar enige hoop om aan geld te komen was de wijn, maar dan moest ze en vakman inhuren. Ze liep automatisch naar de wijngaard. Rudy deed op zijn manier zoveel mogelijk. Nog een bof dat ze op hem kon rekenen. Zijn grootvader werkte vroeger hier als tuinman. Ook zijn vader was iemand van het oude stempel geweest die trouw zwoer aan de landheer.
De dikke druiventrossen beloofden een overvloedige oogst. Op haar hurken zittend trok ze een druif van een volle tros. Kritisch proevend keek ze om zich heen tot een felle schittering haar verblindde. Nieuwsgierig stond ze op om daar op af te gaan.