IK BEN ER OOK NOG fragment

Poes, vanavond komt mijn rugbyclubje. Je zorgt wel dat er iets lekkers is.’ Ze hoorde geroezemoes, gelach en gerinkel van glazen voordat Aernout het gesprek afbrak.
Barbara wreef met haar hand door haar halflange haar en zette haar lege espresso kopje met een klap op het aanrecht. Als succesvol chirurg was hij nu bijna een jaar met pensioen. Van de belofte dat ze nu zouden gaan reizen zag ze zo niets terechtgekomen. Aernout was weer helemaal in de ban van rugby. Af en toe bekeek hij zijn handen, waarbij hij goedkeurend bromde. ‘Nu hoef ik die niet meer te sparen. God, wat heb ik die rugby gemist…’
Gisteren had ze tijdens de lezing op de bibliotheek over zelfontplooiing haar besluit genomen. Nu kon ze zelf nog iets leuks doen voordat een bejaardenhuis het eindpunt zou betekenen. In de spiegel zag ze weer enkele lijnen. Voor 62 zag ze er nog goed uit. Ze hield haar wangen strak naar achteren en lachte tegen haar spiegelbeeld. Dan maar alleen op reis. Meerdere vriendinnen deden dat. Aernout was de kwaadste niet, maar hij verwachtte dat zij altijd voor hem klaarstond, zoals ze al vanaf zijn studententijd had gedaan. Toen er nog geen computers waren typte ze zijn proefschrift uit. Zij was het die de kinders opving, de was deed en zijn overhemden streek als hij weer eens naar een congres ging. Meegaan zat er toen niet in, want de kinderen hadden haar nodig. Nu stonden alle drie op eigen benen al kreeg ze vaak het verzoek om op de kleinkinderen te passen. Kleintjes waren leuk, maar als pubers vond zij ze ronduit onuitstaanbaar.
Ze hoorde Aernout fluitend thuiskomen. Hij smeet zijn sportspullen in de hal, rekte zich uit en riep: ‘Poes, is er nog iets te eten? Je weet toch dat we vanavond…’ Hij wachtte haar antwoord niet af, maar pakte meteen zijn krantje en plofte in zijn luie stoel.
Barbara ging voor hem staan. Ze haalde diep adem en zette haar handen in haar zij. ‘Aernout, wat als ik nu eens geen zin heb om voor jouw clubje te gaan koken, bedienen en opruimen?’
‘Doe niet zo flauw, je kunt dat prima.’
Aernout zat er als een zoutzak bij in zijn ribfluwelen slobberbroek, designers T-shirt en met zijn van Bommelschoenen. Haren iets te lang, al stond hem dat prima.
Barbara begon enkele decibellen hoger: ‘Vanavond doe ik dat niet. Ik heb besloten vandaag eens aan mezelf te denken. Straks ga ik naar de kapper, daarna ga ik nieuwe kleren kopen en vanavond ga ik uit eten bij De Viersprong. Zoek het maar uit, haal maar pizza’s.’
Ze draaide zich om. Aernout reageerde niet eens. De krant zakte een centimeter, maar hij ging rustig door met het lezen.
Prompt ging de telefoon. Haar oudste dochter.
‘Mam, ik kan met Thomas mee naar Portugal, 5 dagen. Kan je komen oppassen?’
‘Nee, schat, ik heb er schoon genoeg van om jullie te bedienen. Ik ga zelf op reis.’
‘Mam, doe niet zo flauw. Heeft papa jou uitgenodigd? Kan me niet voorstellen. Zijn rugby vriendjes staan toch bovenaan zijn lijstje?’
‘Ja, schat en dat is precies de reden waarom ik nu aan mezelf ga denken. Ik heb mijn beste jaren voor jullie klaar gestaan en dat is meer dan genoeg geweest. Vanaf nu doe ik dingen voor mezelf.’
‘Nou, veel plezier, ik vraag de moeder van Thomas wel.’ Gepikeerd brak ze het gesprek af.
Barbara liep naar haar bureautje en trok het kleinste laatje open. Ze zag dat haar paspoort en haar creditcard nog een paar jaar geldig waren. Ze deed haar oude vertrouwde jack aan en sloeg de voordeur hard achter zich dicht. Het grind knarste boos. Ze startte haar oude Volvo en reed naar het dorp. Bij de kapper kon ze zonder afspraak terecht. ‘Maak er maar iets leuks van Sandrine,’ begon ze.
Sandrine bekeek haar hoofd van alle kanten en vroeg: ‘Meent u dat? U wilde toch altijd hetzelfde?’
‘Nu eens niet, bedenk maar iets. Een ander kleurtje? Het moet wel flatteren en het hoeft ook weer niet hypermodern.’ Ze pakte een tijdschrift en hield dat op haar oude jeansrok. Hoog tijd om die ook te vervangen.
Ze gniffelde toen ze aan Aernout dacht. De keuken zou straks wel een puinhoop zijn. Flink zijn, sprak ze zichzelf toe. Nu niet meer gaan toegeven.
Twee uur later bekeek ze zichzelf in de spiegel. Het nieuwe kleurtje stond haar prima en de korte coupe flatteerde enorm.
‘Bent u tevreden?’
‘Sandrine, geweldig. Ik moet er even aan wennen dat ik dit ben. Nu nog nieuwe kleren.’
‘Gaat u op reis?’
‘Ik zit daar wel aan te denken meisje.’
‘Kijkt u eens bij Spetters, een nieuwe boetiek, hij zit naast de kaasboer.’
‘Dank voor de tip Sandrine, ik zal dat zeker doen.’
Neuriënd stapte ze de kapsalon uit. Na een stukje rijden, parkeerde ze de auto op het marktplein. Ze zag het winkeltje al. Voor de etalage bleef ze staan. Mooie kleren, natuurlijk materiaal. Ze las de zwierige letters: kasjmier, zijde, katoen en wol. Het belletje rinkelde toen ze de deur opendeed. Een jonge vrouw kwam haar tegemoet en keek haar vriendelijk aan. ‘Wat kan ik voor u doen mevrouw?’
Barbara wees naar haar jeansrok. ‘Ik ben deze praktische kleding meer dan beu. Ik wil beginnen met twee nieuwe outfits, beiden voor het tussenseizoen. Ik zag in de etalage een mooie kasjmier omslagdoek. Kijkt u maar wat mij het meest flatteert.’
De eigenaresse kneep haar ogen half dicht, liep om haar heen met haar hand onder de kin en mompelde iets in zichzelf. Hier en daar pakte ze een kledingstuk, hield dit haar voor en verwisselde een paar voorwerpen. ‘Met deze kleren lijkt u langer… geel, roze en lichtblauw zijn uw kleuren. Kijk ik heb hier enkele kasjmier tricots. Een lichtblauwe suède rok met daarover een zachtgeel kasjmier twinset… prachtig. Barbara voelde de zachte stof en knikte enthousiast. ‘Ook twee jurken voor dinertjes graag, maar niet te stijf.’
De vrouw opende een spiegelkast en pakte twee schitterende jurken.
‘Mooi, maar ik wil liever iets dat niet kreukt… voor op reis.’
Met opgetrokken wenkbrauwen, spitte de vrouw haar voorraad door en hield twee andere jurken op. ‘Zoekt u zoiets?’
Barbara knikte. ‘Ja, dat is precies wat ik in gedachten had. Die wil ik eerst passen.’
‘Wilt u koffie?’
‘Dolgraag, ik heb gewoon vergeten te lunchen. Ik merk dat ik rammel.’
‘Ik kan ook iets anders voor u halen.’
‘Oh, als dat niet teveel moeite is…’ Ze stond in haar onderjurk en wilde de mooie jurk over haar hoofd doen.
‘Kom ik help u even. Bekijkt u rustig wat u wilt hebben. Ik ben zo terug. Is zalm goed?’
‘Heerlijk,’ riep ze op kousenvoeten.
De stapel kleren die ze graag wilde hebben groeide. In de etalage lonkten enkele schoenen en een paar smaakvolle handtassen haar toe. Ook hiervan legde ze een paar bij de stapel.
Tegen halfzes kwam ze bepakt en bezakt thuis. Op de oprit stonden al enkele auto’s van Aernouts buddy’s.
Zingend liep ze naar boven. Ze was net halverwege de trap, toen Aernout de gang opkwam.
Hij keek op zijn horloge. ‘Net op tijd om te gaan koken poes.’
‘Heb je niet gehoord wat ik vanmorgen zei? Schat, ik ga straks uit.’
Verbluft liet ze Aernout achter. In de slaapkamer gooide ze de glimmende draagtassen op het bed en viste de jurk uit een zak die ze wilde aantrekken.
Aernout had niet eens opgemerkt dat ze naar de kapper geweest was en dat ze er nu veel beter uit zag. Al droeg ze een vuilniszak, hij zag haar gewoon niet meer.
Ze pakte een mooie nieuwe tas uit. Plaats genoeg voor haar sleutels, autopapieren en smartphone. De grote afgeleefde shopper gooide ze onder in de kast. Gauw een douche, deodorant op, parfum, schoon ondergoed, nieuwe kousen en de nieuwe schoenen aan. Ze trok de jurk voorzichtig over haar hoofd en bekeek zichzelf in de spiegel.
Na een goedkeurend gemompel, pakte ze de nieuwe kasjmier omslagdoek en liep de trap af.
‘Wow,’ hoorde ze Egbert die net van de wc af kwam mompelen. Hij draaide zijn broek recht. ‘Ga je uit? Krijgen we vanavond niets?’
‘Goed gezien Egbert, je bent een grote jongen, dus jullie redden je wel.’
Hij sprak geen woord en keek haar alleen maar aan.
‘Dag, prettige avond.’
Weg was ze. Twintig minuten later stond haar auto op de parkeerplaats van De Viersprong, het restaurant waar ze altijd met Aernout at wanneer ze iets te vieren hadden.
Jules, de gerant begroette haar. ‘Komt mijnheer later?’
‘Nee, Jules, hij eet met zijn rugbyclubje. Ik trakteer mezelf vanavond.’
Hij leidde haar naar een tafeltje in een hoek.
‘Zeg Jules, mag ik als vrouw alleen niet aan onze vaste tafel zitten? Prop mij niet in een hoekje, alsjeblieft.’
Een van de andere gasten keek op. Een slanke man. Hij kwam haar ergens bekend voor. Hij stond op. ‘Barbara is het niet? Ik ben Bert, Bert van Nispen, weet je nog?’
Ze keek de man vragen aan. Toen wist ze het weer. Stralend zei ze: ‘Bert, natuurlijk… jij zat toch in Nieuw Zeeland? Terug? Goh, ik had je hier niet verwacht, sorry dat ik je niet meteen herkende. Hoe gaat het?’
Uit zijn blik merkte ze op dat het beter kon.
‘Ben je hier alleen Barbara? Ik ving net zoiets op.’
‘Ja, jij ook?’
‘Bezwaar om samen te eten?’
‘Helemaal niet.’
Jules was al bezig bij te dekken.
Barbara nam Bert goed op. Hij miste iets van de zwierigheid van vroeger. Slanker dan Aernout, licht kalend en grijs aan zijn slapen. Ze had hem tijdens de vorige reünie van haar school gemist. Vaag had ze iets opgevangen dat zijn vrouw kanker had.
Ze ging zitten. Bert vroeg de kaart.
‘Zo, is er een speciale reden dat je hier bent?’
‘Ja. Nu Marga er niet meer is… ik wordt ook een dagje ouder… dat pensioen… ik eh… eigenlijk wil ik hier oud worden.’
‘Nederland is niet meer wat het geweest is hoor.’
Hij keek naar zijn handen. ‘Weet ik, maar nu ik nog goed ben lijkt me een pied à terre kopen geen slecht idee. Ik kan dat altijd verhuren.’
‘Zo kan je het ook bekijken. Ik dacht dat Nieuw Zeeland geweldig was. Laatst hoorde ik enthousiaste verhalen van vrienden die in… o, gut…hoe heet dat ding ook alweer…’
Ze trok een denkrimpel en stak toen plotseling haar vinger omhoog. ‘Ik weet het weer Madoo Lodge. Zegt dat jou iets, ze vonden dat fantastisch.’
Bert gniffelde. ‘Dat is ook toevallig zeg. Daar heb ik jaren de scepter gezwaaid.’
‘Je meent het… en nu wil je terug naar dit kikkerlandje?’
‘Het is daar inderdaad schitterend, maar daar heb ik geen gewoon leven.’
‘Het was vast geweldig om daar te werken. Eerlijk gezegd ben ik de situatie thuis even beu. Ik dacht er zelfs over om daar een tijdje te gaan logeren.’
‘Een dure grap, maar ik kan er voor zorgen dat je voor een vriendenprijs terecht kunt. Zeg, meen je dat je daar zou willen werken? Sorry dat ik van de hak op de tak spring, maar…’
‘Waarom niet. De hele dag niets doen ligt mij niet. Zorgen voor anderen heb ik mijn hele leven gedaan. Aernout vertikt het om te reizen. Na al die medische congressen heeft hij het wel gezien. Ik zat thuis met de kinderen. Vind je het gek dat ik nu iets voor mezelf wil doen? Nu kan ik dat nog. Een jaar er tussen uit, iets van de wereld zien… daar kijk ik echt naar uit.’
Bert wenkte de ober. Ze bekeken de kaart. ‘Het menu ziet er prima uit. Wat jij?’
‘Bert, het menu is hier altijd uitstekend. Laten we meteen bestellen voordat we blijven kletsen.’
Ze deed het servet op schoot en keek Bert afwachtend aan.
‘Toevallig zoeken ze iemand van jouw kaliber. Je zou dit tijdelijk kunnen doen voordat ze iemand gevonden hebben voor vast. Aan je gezicht zie ik dat je liefst vanavond al zou willen vertrekken.’
Ze grinnikte. ‘Dan kost mij dit dus niets?’
‘Integendeel, je zou zelfs een salaris krijgen, maar dan krijg je gedonder met de fiscus. Pensioen en zo. Ik mail ze wel. Daar is vast een mouw aan te passen. Als je daar als consultant bent, is er geen vuiltje aan de lucht. Je krijgt je salaris dan gewoon op je Nederlandse rekening.’
Barbara slaakte een diepe zucht. ‘Het lijkt erop dat dit zo heeft moeten zijn.’
Bert keek keurend naar de fles die bij het wijn arrangement zat en mompelde goedkeurend.
‘Ik zit hier maar over mezelf te zeuren. Ik hoop niet dat Marga erg geleden heeft… kanker niet?’
‘Ja, een rotziekte. Ze was erg moedig. Ik mis haar natuurlijk enorm, maar het leven gaat door. Net voor mijn pensioen. Van samen leuke dingen doen is niets gekomen.’
Ze snoof en dacht aan de dingen die Aernout beloofd had. Nee, een jaartje afstand nemen… ze kreeg er hoe langer hoe meer zin in.
‘Koffie?’ vroeg Bert.
‘Ja, beter wel. Ik moet nog rijden. Ben jij met de auto?’
‘Nee, ik loop wel.’
‘Kan ik iets voor je doen?’
Bert schudde zijn hoofd. Hij keek op zijn horloge. ‘Met het tijdsverschil kan ik beter nu bellen. Ik weet hoe zeer ze omhoog zitten.’
Hij wenkte de ober om af te rekenen.
‘Bert ik betaal de helft.’
‘Geen sprake van. Als ik met jou bij mijn opvolger op de proppen kom, voel ik mij al een stuk beter. Het was een deel van mijn leven. Wonen jullie nog steeds in dezelfde villa?’
‘Ja. Hier is mijn kaartje met mijn mobiele nummer. Het is nog vroeg en ik slaap toch pas laat.’
Bert sloeg haar cape om haar schouder en gaf haar een discrete kus. ‘Ik bel je zo snel mogelijk.’
In haar auto, kwam en allerlei scenario’s over Nieuw Zeeland boven. Benieuwd wat Bert haar zou vertellen, liet ze de Volvo buiten het hek staan. Uit de keuken klonk luid gelach. Ze rook dat er iets was aangebrand. Zo zacht mogelijk liep ze naar boven. Beter slapen in de logeerkamer, dan met een half zatte snurkende Aernout naast zich. De nieuwe aanwinsten lagen nog op haar bed. Ophangen en slapen, nam ze zich voor. In de badkamer ging haar mobieltje. Bert zag ze.
‘Je bent daar van harte welkom. Hoe eerder hoe liever. Schikt het als ik morgenochtend langskom? Ik zorg dat je ticket besteld wordt. En Barbara… ik heb genoten om met je te praten.’
Hij had al weer neergelegd voordat ze iets kon zeggen. Woelend lag ze in het logeerbed. Best spannend om naar Nieuw Zeeland te gaan. Eenzaam zou ze zich daar niet voelen. Vast veel interessante gasten… ze zou daar als ze weer terug was vast een boek over kunnen schrijven. Langzaam dommelde ze in.

Haar telefoontje rinkelde. De wekker wist ze. Half negen. Mooie tijd om op te staan. Bert zou langskomen. Met gespitste oren liep ze naar de badkamer. Uit hun slaapkamer klonk een zacht geronk. Ook na haar douchepartij hoorde ze Aernout nog niet rommelen.
In haar nieuwe suède rok en gele kasjmier trui met halve mouwen, liep ze naar beneden.
De keuken was een slagveld. Ze duwde enkele vuile borden opzij en begon koffie te zetten. Ze at twee plakken koek staand aan het aanrecht.
Een blad met twee kopjes, enkele chocolaatjes en een paar suikerklontjes zette ze alvast in de zitkamer.
Aernout kwam op de geur van verse koffie in kamerjas naar beneden. Hij gaf haar een afwezige kus in haar nek. ‘Zo poes, nog niet aan de slag?’
Ze pakte hem bij beide armen beet. ‘Nu moet je eens echt naar mij luisteren. Ik ben er ook nog en ik vertik het om te blijven koken en opruimen voor jouw vriendjes. Je bent nu bijna een jaar met pensioen en wat hebben we samen gedaan? Niets toch? Ik vertrek naar Nieuw Zeeland. Ik ga daar werken.’
Aernout barstte in lachen uit. ‘Jij werken? Je kunt niets.’
Ze beukte met haar vuisten op zijn borst. De bel ging. Ze liep naar de deur en liet Bert binnen.
‘Hé Bert, hoe is het? Long time no see…’
‘Kom Bert, Aernout moet opruimen. Ik heb koffie klaar staan.’
Verbluft bleef Aernout even staan voordat hij haar achterna kwam. Met half openhangende kamerjas brieste hij: ‘Wat zijn dat voor smoesjes. Vertrek jij zomaar met Bert?’
Bert kwam tussenbeide. ‘Aernout, even rustig ja. Ik kan het uitleggen.’
‘Godsamme, dat zegt elke vent die met de vrouw van een ander slaapt. Eruit verdomme.’
‘Ik ga pakken,’ riep ze.
‘Barbara, wacht even, geef je man eerst een sterkte koffie. Daarna vertel ik hem hoe de vork in de steel zit.’
Aernout struikelde over de loshangende punt van zijn peignoir en vloekte.
Barbara schonk een mok koffie, reikte deze aan Aernout en zei bars: ‘Vooruit drink op.’