IK BEN ER OOK NOG fragment

‘Poes, vanavond komt mijn rugbyclubje. Je zorgt wel dat er iets lekkers is.’ Ze hoorde geroezemoes, gelach en gerinkel van glazen voordat Aernout het gesprek afbrak.
Barbara wreef met haar hand door haar halflange haar en zette haar lege espresso kopje met een klap op het aanrecht. Als succesvol chirurg was hij nu bijna een jaar met pensioen. Van de belofte dat ze nu zouden gaan reizen zag ze zo niets terechtgekomen. Aernout was weer helemaal in de ban van rugby. Af en toe bekeek hij zijn handen, waarbij hij goedkeurend bromde. ‘Nu hoef ik die niet meer te sparen. God, wat heb ik die rugby gemist…’
Gisteren had ze tijdens de lezing op de bibliotheek over zelfontplooiing haar besluit genomen. Nu kon ze zelf nog iets leuks doen voordat een bejaardenhuis het eindpunt zou betekenen. In de spiegel zag ze weer enkele lijnen. Voor 62 zag ze er nog goed uit. Ze hield haar wangen strak naar achteren en lachte tegen haar spiegelbeeld. Dan maar alleen op reis. Meerdere vriendinnen deden dat. Aernout was de kwaadste niet, maar hij verwachtte dat zij altijd voor hem klaarstond, zoals ze al vanaf zijn studententijd had gedaan. Toen er nog geen computers waren typte ze zijn proefschrift uit. Zij was het die de kinders opving, de was deed en zijn overhemden streek als hij weer eens naar een congres ging. Meegaan zat er toen niet in, want de kinderen hadden haar nodig. Nu stonden alle drie op eigen benen al kreeg ze vaak het verzoek om op de kleinkinderen te passen. Kleintjes waren leuk, maar als pubers vond zij ze ronduit onuitstaanbaar.
Ze hoorde Aernout fluitend thuiskomen. Hij smeet zijn sportspullen in de hal, rekte zich uit en riep: ‘Poes, is er nog iets te eten? Je weet toch dat we vanavond…’ Hij wachtte haar antwoord niet af, maar pakte meteen zijn krantje en plofte in zijn luie stoel.
Barbara ging voor hem staan. Ze haalde diep adem en zette haar handen in haar zij. ‘Aernout, wat als ik nu eens geen zin heb om voor jouw clubje te gaan koken, bedienen en opruimen?’
‘Doe niet zo flauw, je kunt dat prima.’
Aernout zat er als een zoutzak bij in zijn ribfluwelen slobberbroek, designers T-shirt en met zijn van Bommelschoenen. Haren iets te lang, al stond hem dat prima.
Barbara begon enkele decibellen hoger: ‘Vanavond doe ik dat niet. Ik heb besloten vandaag eens aan mezelf te denken. Straks ga ik naar de kapper, daarna ga ik nieuwe kleren kopen en vanavond ga ik uit eten bij De Viersprong. Zoek het maar uit, haal maar pizza’s.’
Ze draaide zich om. Aernout reageerde niet eens. De krant zakte een centimeter, maar hij ging rustig door met het lezen.
Prompt ging de telefoon. Haar oudste dochter.
‘Mam, ik kan met Thomas mee naar Portugal, 5 dagen. Kan je komen oppassen?’
‘Nee, schat, ik heb er schoon genoeg van om jullie te bedienen. Ik ga zelf op reis.’
‘Mam, doe niet zo flauw. Heeft papa jou uitgenodigd? Kan me niet voorstellen. Zijn rugby vriendjes staan toch bovenaan zijn lijstje?’
‘Ja, schat en dat is precies de reden waarom ik nu aan mezelf ga denken. Ik heb mijn beste jaren voor jullie klaar gestaan en dat is meer dan genoeg geweest. Vanaf nu doe ik dingen voor mezelf.’
‘Nou, veel plezier, ik vraag de moeder van Thomas wel.’ Gepikeerd brak ze het gesprek af.
Barbara liep naar haar bureautje en trok het kleinste laatje open. Ze zag dat haar paspoort en haar creditcard nog een paar jaar geldig waren. Ze deed haar oude vertrouwde jack aan en sloeg de voordeur hard achter zich dicht. Het grind knarste boos. Ze startte haar oude Volvo en reed naar het dorp. Bij de kapper kon ze zonder afspraak terecht. ‘Maak er maar iets leuks van Sandrine,’ begon ze.
Sandrine bekeek haar hoofd van alle kanten en vroeg: ‘Meent u dat? U wilde toch altijd hetzelfde?’
‘Nu eens niet, bedenk maar iets. Een ander kleurtje? Het moet wel flatteren en het hoeft ook weer niet hypermodern.’ Ze pakte een tijdschrift en hield dat op haar oude jeansrok. Hoog tijd om die ook te vervangen.
Ze gniffelde toen ze aan Aernout dacht. De keuken zou straks wel een puinhoop zijn. Flink zijn, sprak ze zichzelf toe. Nu niet meer gaan toegeven.
Twee uur later bekeek ze zichzelf in de spiegel. Het nieuwe kleurtje stond haar prima en de korte coupe flatteerde enorm.
‘Bent u tevreden?’
‘Sandrine, geweldig. Ik moet er even aan wennen dat ik dit ben. Nu nog nieuwe kleren.’
‘Gaat u op reis?’
‘Ik zit daar wel aan te denken meisje.’
‘Kijkt u eens bij Spetters, een nieuwe boetiek, hij zit naast de kaasboer.’
‘Dank voor de tip Sandrine, ik zal dat zeker doen.’
Neuriënd stapte ze de kapsalon uit. Na een stukje rijden, parkeerde ze de auto op het marktplein. Ze zag het winkeltje al. Voor de etalage bleef ze staan. Mooie kleren, natuurlijk materiaal. Ze las de zwierige letters: kasjmier, zijde, katoen en wol. Het belletje rinkelde toen ze de deur opendeed. Een jonge vrouw kwam haar tegemoet en keek haar vriendelijk aan. ‘Wat kan ik voor u doen mevrouw?’
Barbara wees naar haar jeansrok. ‘Ik ben deze praktische kleding meer dan beu. Ik wil beginnen met twee nieuwe outfits, beiden voor het tussenseizoen. Ik zag in de etalage een mooie kasjmier omslagdoek. Kijkt u maar wat mij het meest flatteert.’
De eigenaresse kneep haar ogen half dicht, liep om haar heen met haar hand onder de kin en mompelde iets in zichzelf. Hier en daar pakte ze een kledingstuk, hield dit haar voor en verwisselde een paar voorwerpen. ‘Met deze kleren lijkt u langer… geel, roze en lichtblauw zijn uw kleuren. Kijk ik heb hier enkele kasjmier tricots. Een lichtblauwe suède rok met daarover een zachtgeel kasjmier twinset… prachtig. Barbara voelde de zachte stof en knikte enthousiast. ‘Ook twee jurken voor dinertjes graag, maar niet te stijf.’
De vrouw opende een spiegelkast en pakte twee schitterende jurken.
‘Mooi, maar ik wil liever iets dat niet kreukt… voor op reis.’
Met opgetrokken wenkbrauwen, spitte de vrouw haar voorraad door en hield twee andere jurken op. ‘Zoekt u zoiets?’
Barbara knikte. ‘Ja, dat is precies wat ik in gedachten had. Die wil ik eerst passen.’
‘Wilt u koffie?’
‘Dolgraag, ik heb gewoon vergeten te lunchen. Ik merk dat ik rammel.’
‘Ik kan ook iets anders voor u halen.’
‘Oh, als dat niet teveel moeite is…’ Ze stond in haar onderjurk en wilde de mooie jurk over haar hoofd doen.
‘Kom ik help u even. Bekijkt u rustig wat u wilt hebben. Ik ben zo terug. Is zalm goed?’
‘Heerlijk,’ riep ze op kousenvoeten.
De stapel kleren die ze graag wilde hebben groeide. In de etalage lonkten enkele schoenen en een paar smaakvolle handtassen haar toe. Ook hiervan legde ze een paar bij de stapel.
Tegen halfzes kwam ze bepakt en bezakt thuis. Op de oprit stonden al enkele auto’s van Aernouts buddy’s.
Zingend liep ze naar boven. Ze was net halverwege de trap, toen Aernout de gang opkwam.
Hij keek op zijn horloge. ‘Net op tijd om te gaan koken poes.’
‘Heb je niet gehoord wat ik vanmorgen zei? Schat, ik ga straks uit.’
Verbluft liet ze Aernout achter. In de slaapkamer gooide ze de glimmende draagtassen op het bed en viste de jurk uit een zak die ze wilde aantrekken.
Aernout had niet eens opgemerkt dat ze naar de kapper geweest was en dat ze er nu veel beter uit zag. Al droeg ze een vuilniszak, hij zag haar gewoon niet meer.
Ze pakte een mooie nieuwe tas uit. Plaats genoeg voor haar sleutels, autopapieren en smartphone. De grote afgeleefde shopper gooide ze onder in de kast. Gauw een douche, deodorant op, parfum, schoon ondergoed, nieuwe kousen en de nieuwe schoenen aan. Ze trok de jurk voorzichtig over haar hoofd en bekeek zichzelf in de spiegel.
Na een goedkeurend gemompel, pakte ze de nieuwe kasjmier omslagdoek en liep de trap af.
‘Wow,’ hoorde ze Egbert die net van de wc af kwam mompelen. Hij draaide zijn broek recht. ‘Ga je uit? Krijgen we vanavond niets?’
‘Goed gezien Egbert, je bent een grote jongen, dus jullie redden je wel.’
Hij sprak geen woord en keek haar alleen maar aan.
‘Dag, prettige avond.’
Weg was ze. Twintig minuten later stond haar auto op de parkeerplaats van De Viersprong, het restaurant waar ze altijd met Aernout at wanneer ze iets te vieren hadden.
Jules, de gerant begroette haar. ‘Komt mijnheer later?’
‘Nee, Jules, hij eet met zijn rugbyclubje. Ik trakteer mezelf vanavond.’
Hij leidde haar naar een tafeltje in een hoek.
‘Zeg Jules, mag ik als vrouw alleen niet aan onze vaste tafel zitten? Prop mij niet in een hoekje, alsjeblieft.’
Een van de andere gasten keek op. Een slanke man. Hij kwam haar ergens bekend voor. Hij stond op. ‘Barbara is het niet? Ik ben Bert, Bert van Nispen, weet je nog?’
Ze keek de man vragen aan. Toen wist ze het weer. Stralend zei ze: ‘Bert, natuurlijk… jij zat toch in Nieuw Zeeland? Terug? Goh, ik had je hier niet verwacht, sorry dat ik je niet meteen herkende. Hoe gaat het?’
Uit zijn blik merkte ze op dat het beter kon.
‘Ben je hier alleen Barbara? Ik ving net zoiets op.’
‘Ja, jij ook?’
‘Bezwaar om samen te eten?’
‘Helemaal niet.’
Jules was al bezig bij te dekken.
Barbara nam Bert goed op. Hij miste iets van de zwierigheid van vroeger. Slanker dan Aernout, licht kalend en grijs aan zijn slapen. Ze had hem tijdens de vorige reünie van haar school gemist. Vaag had ze iets opgevangen dat zijn vrouw kanker had.
Ze ging zitten. Bert vroeg de kaart.
‘Zo, is er een speciale reden dat je hier bent?’
‘Ja. Nu Marga er niet meer is… ik wordt ook een dagje ouder… dat pensioen… ik eh… eigenlijk wil ik hier oud worden.’
‘Nederland is niet meer wat het geweest is hoor.’
Hij keek naar zijn handen. ‘Weet ik, maar nu ik nog goed ben lijkt me een pied à terre kopen geen slecht idee. Ik kan dat altijd verhuren.’
‘Zo kan je het ook bekijken. Ik dacht dat Nieuw Zeeland geweldig was. Laatst hoorde ik enthousiaste verhalen van vrienden die in… o, gut…hoe heet dat ding ook alweer…’
Ze trok een denkrimpel en stak toen plotseling haar vinger omhoog. ‘Ik weet het weer Madoo Lodge. Zegt dat jou iets, ze vonden dat fantastisch.’
Bert gniffelde. ‘Dat is ook toevallig zeg. Daar heb ik jaren de scepter gezwaaid.’
‘Je meent het… en nu wil je terug naar dit kikkerlandje?’
‘Het is daar inderdaad schitterend, maar daar heb ik geen gewoon leven.’
‘Het was vast geweldig om daar te werken. Eerlijk gezegd ben ik de situatie thuis even beu. Ik dacht er zelfs over om daar een tijdje te gaan logeren.’
‘Een dure grap, maar ik kan er voor zorgen dat je voor een vriendenprijs terecht kunt. Zeg, meen je dat je daar zou willen werken? Sorry dat ik van de hak op de tak spring, maar…’
‘Waarom niet. De hele dag niets doen ligt mij niet. Zorgen voor anderen heb ik mijn hele leven gedaan. Aernout vertikt het om te reizen. Na al die medische congressen heeft hij het wel gezien. Ik zat thuis met de kinderen. Vind je het gek dat ik nu iets voor mezelf wil doen? Nu kan ik dat nog. Een jaar er tussen uit, iets van de wereld zien… daar kijk ik echt naar uit.’
Bert wenkte de ober. Ze bekeken de kaart. ‘Het menu ziet er prima uit. Wat jij?’
‘Bert, het menu is hier altijd uitstekend. Laten we meteen bestellen voordat we blijven kletsen.’
Ze deed het servet op schoot en keek Bert afwachtend aan.
‘Toevallig zoeken ze iemand van jouw kaliber. Je zou dit tijdelijk kunnen doen voordat ze iemand gevonden hebben voor vast. Aan je gezicht zie ik dat je liefst vanavond al zou willen vertrekken.’
Ze grinnikte. ‘Dan kost mij dit dus niets?’
‘Integendeel, je zou zelfs een salaris krijgen, maar dan krijg je gedonder met de fiscus. Pensioen en zo. Ik mail ze wel. Daar is vast een mouw aan te passen. Als je daar als consultant bent, is er geen vuiltje aan de lucht. Je krijgt je salaris dan gewoon op je Nederlandse rekening.’
Barbara slaakte een diepe zucht. ‘Het lijkt erop dat dit zo heeft moeten zijn.’
Bert keek keurend naar de fles die bij het wijn arrangement zat en mompelde goedkeurend.
‘Ik zit hier maar over mezelf te zeuren. Ik hoop niet dat Marga erg geleden heeft… kanker niet?’
‘Ja, een rotziekte. Ze was erg moedig. Ik mis haar natuurlijk enorm, maar het leven gaat door. Net voor mijn pensioen. Van samen leuke dingen doen is niets gekomen.’
Ze snoof en dacht aan de dingen die Aernout beloofd had. Nee, een jaartje afstand nemen… ze kreeg er hoe langer hoe meer zin in.
‘Koffie?’ vroeg Bert.
‘Ja, beter wel. Ik moet nog rijden. Ben jij met de auto?’
‘Nee, ik loop wel.’
‘Kan ik iets voor je doen?’
Bert schudde zijn hoofd. Hij keek op zijn horloge. ‘Met het tijdsverschil kan ik beter nu bellen. Ik weet hoe zeer ze omhoog zitten.’
Hij wenkte de ober om af te rekenen.
‘Bert ik betaal de helft.’
‘Geen sprake van. Als ik met jou bij mijn opvolger op de proppen kom, voel ik mij al een stuk beter. Het was een deel van mijn leven. Wonen jullie nog steeds in dezelfde villa?’
‘Ja. Hier is mijn kaartje met mijn mobiele nummer. Het is nog vroeg en ik slaap toch pas laat.’
Bert sloeg haar cape om haar schouder en gaf haar een discrete kus. ‘Ik bel je zo snel mogelijk.’
In haar auto, kwam en allerlei scenario’s over Nieuw Zeeland boven. Benieuwd wat Bert haar zou vertellen, liet ze de Volvo buiten het hek staan. Uit de keuken klonk luid gelach. Ze rook dat er iets was aangebrand. Zo zacht mogelijk liep ze naar boven. Beter slapen in de logeerkamer, dan met een half zatte snurkende Aernout naast zich. De nieuwe aanwinsten lagen nog op haar bed. Ophangen en slapen, nam ze zich voor. In de badkamer ging haar mobieltje. Bert zag ze.
‘Je bent daar van harte welkom. Hoe eerder hoe liever. Schikt het als ik morgenochtend langskom? Ik zorg dat je ticket besteld wordt. En Barbara… ik heb genoten om met je te praten.’
Hij had al weer neergelegd voordat ze iets kon zeggen. Woelend lag ze in het logeerbed. Best spannend om naar Nieuw Zeeland te gaan. Eenzaam zou ze zich daar niet voelen. Vast veel interessante gasten… ze zou daar als ze weer terug was vast een boek over kunnen schrijven. Langzaam dommelde ze in.

Haar telefoontje rinkelde. De wekker wist ze. Half negen. Mooie tijd om op te staan. Bert zou langskomen. Met gespitste oren liep ze naar de badkamer. Uit hun slaapkamer klonk een zacht geronk. Ook na haar douchepartij hoorde ze Aernout nog niet rommelen.
In haar nieuwe suède rok en gele kasjmier trui met halve mouwen, liep ze naar beneden.
De keuken was een slagveld. Ze duwde enkele vuile borden opzij en begon koffie te zetten. Ze at twee plakken koek staand aan het aanrecht.
Een blad met twee kopjes, enkele chocolaatjes en een paar suikerklontjes zette ze alvast in de zitkamer.
Aernout kwam op de geur van verse koffie in kamerjas naar beneden. Hij gaf haar een afwezige kus in haar nek. ‘Zo poes, nog niet aan de slag?’
Ze pakte hem bij beide armen beet. ‘Nu moet je eens echt naar mij luisteren. Ik ben er ook nog en ik vertik het om te blijven koken en opruimen voor jouw vriendjes. Je bent nu bijna een jaar met pensioen en wat hebben we samen gedaan? Niets toch? Ik vertrek naar Nieuw Zeeland. Ik ga daar werken.’
Aernout barstte in lachen uit. ‘Jij werken? Je kunt niets.’
Ze beukte met haar vuisten op zijn borst. De bel ging. Ze liep naar de deur en liet Bert binnen.
‘Hé Bert, hoe is het? Long time no see…’
‘Kom Bert, Aernout moet opruimen. Ik heb koffie klaar staan.’
Verbluft bleef Aernout even staan voordat hij haar achterna kwam. Met half openhangende kamerjas brieste hij: ‘Wat zijn dat voor smoesjes. Vertrek jij zomaar met Bert?’
Bert kwam tussenbeide. ‘Aernout, even rustig ja. Ik kan het uitleggen.’
‘Godsamme, dat zegt elke vent die met de vrouw van een ander slaapt. Eruit verdomme.’
‘Ik ga pakken,’ riep ze.
‘Barbara, wacht even, geef je man eerst een sterkte koffie. Daarna vertel ik hem hoe de vork in de steel zit.’
Aernout struikelde over de loshangende punt van zijn peignoir en vloekte.
Barbara schonk een mok koffie, reikte deze aan Aernout en zei bars: ‘Vooruit drink op.’

WAAR IS TATJANA fragment

Denk erom geen woord, anders stuur ik Popov op je af.’
Sergei smeet zijn mobieltje op de grond en draaide zich in bed om. Prompt begon het apparaat weer te rinkelen. Op de tast graaide hij naar het toestel. Weer Kiril. Hij kreunde en hoorde dreigend. ‘Begrepen?’
‘Rot op, ik hoef die troep van jou niet meer, vuile moordenaar.’ Hij zette het toestel uit en liep wankelend naar de badkamer. Met één hand steunde hij tegen de muur om te plassen. Kokhalzend haalde hij net de wasbak. Met zijn hand spoelde hij zijn gezicht schoon. Hij rilde toen hij in de spiegel in plaats van zichzelf, het dode gezicht van Vladimir zag. Knipperend met zijn ogen, strompelde naar zijn bed en liet zich daarop vallen. Ook met een kussen over zijn hoofd, bleef het beeld van Vlad als een videoclip op zijn netvlies komen.
‘Shit drugs,’ kreunde hij.
Hoe hij was thuisgekomen wist hij niet meer. Met grote inspanning probeerde hij zich te concentreren. Langzaam kwam de herinnering aan de oudejaarspartij weer boven.
Zijn vaders chauffeur Andrej had hem rond half tien naar de exclusieve disco gebracht, waar hij met andere jongelui van rijke ouders Nieuwjaar wilde vieren. Een ijzige sneeuwjacht joeg over de stad en de gepantserde Mercedes gleed diverse malen van de weg. Met honderd dollar was Andrej niet te strikken om voor de ingang te blijven wachten. Sergei ploegde zich een weg door de sneeuwmassa en haastte zich naar binnen. Nog op tijd om een portie cocaïne te kunnen bemachtigen, voegde hij zich bij het snel groter wordende groepje rondom Kiril. Hij wreef zenuwachtig met zijn hand onder zijn neus en wachtte ongeduldig zijn beurt af.
Sergei rilde van Kirils lijzige nasale stem. ‘Hallo Sergei. Ik heb iets nieuws voor jou. Wil je deze pillen proberen? Je kunt er twee krijgen en ik vraag daarvoor vijftig dollar per stuk, een koopje. Bij Konstantin ben je de helft meer kwijt, maar jij hebt een rijke pa, toch?’
Sergei siste: ‘Oké, geef maar op.’ Hij trok de dollar biljetten uit zijn zak en hield deze plagend voor Kirils neus.
De schriele jongen rukte ze snel uit zijn hand en hief zijn vinger op. ‘Denk erom, neem ze niet tegelijk.’
Sergei griste het plastic zakje met beide pillen weg en liep in het hallucinerende licht van de draaiende glitterbal naar de bar. Speurend naar vrienden, streek hij met zijn hand door zijn lange blonde haar. De DJ draaide zijn rap op volle sterkte. ‘Een dubbele wodka!’ brulde hij. Met een biljet wapperend en een gebaar dat de barkeeper de rest kon houden, bediende de man hem als eerste. Meteen spoelde hij een pil weg. De grote spiegelwand reflecteerde zijn bleke gezicht. Knipperend met zijn ogen voelde hij het effect van de pil al gauw opkomen. Prima spul, lekker snel. In de spiegel zag hij zijn klasgenoot Vladimir beide pillen nemen. Hij draaide zich om en zette zijn handen tegen zijn mond. ‘Vlad, spuug uit die boel, je mag ze niet tegelijk nemen.’ In de keiharde muziek ging zijn stem verloren en door het gedrang kon hij Vlad niet bereiken. Sergei keek speurend naar zijn makker. Een onbekend meisje sloeg haar armen om zijn nek en begon hem te kussen. Bot duwde hij haar van zich af. ‘Rot op, stomme trut.’ Het meisje stak haar tong tegen hem uit. Hij zag een groepje klasgenoten en liep naar ze toe. Samen bekeken ze de blote meid die aan de paal stond te dansen.
‘Wat een lelijkerd. Moet je die hangtieten zien en die dikke kont… Emma was beter,’ zei Sacha en stak zijn derde vinger naar haar op.
Ivan gaf Peter een duw. Hij wankelde en botste tegen Vladimir aan die zich met moeite aan een tafeltje overeind hield.
‘Vlad, je had die pillen niet tegelijk mogen nemen,’ zei Sergei.
Vlad keek hem wazig aan en mompelde: ‘Even afkoelen.’
 
Tegen twaalf uur stond Sergei met zijn klasgenoten op het Rode plein naar het vuurwerk te kijken. De sneeuwjacht was gaan liggen, maar geen van de jongelui had oog voor het sprookjesachtige fonkelen van de verse sneeuwkristallen onder de sterrenhemel. Op de Kremlin-torentjes kwamen de kleuren door de poedersneeuwlaag pastel tevoorschijn, een schitterend gezicht, dat door de vele buitenlanders die Nieuwjaar op het Rode Plein vierden driftig werd gefotografeerd. De menigte hield de grote klok in de gaten en begon luidruchtig aan het aftellen. Nadat de klok twaalf uur had geslagen knalden de champagnekurken, waarop de aanwezigen elkaar luidruchtig Nieuwjaar wensten. Bij iedere knal volgde een luid gejoel. Na de finale liep Sergei rillend met zijn kameraden de disco in. Voor de ingang riep Sacha: ‘Hé, is Vladimir al naar huis?’
De jongelui stampten de sneeuw van hun bontlaarzen en gingen door met feesten. Rond vier uur hielden de meeste vrienden het wel voor gezien. Sergei liep met het groepje mee en griste zijn jack van de kapstok. Buiten hoorde hij een ijselijke gil. Met de anderen rende hij op het geluid af. Om de hoek van het gebouw bleven ze staan en keken verschrikt naar iets op de grond. Dat iets was Vladimir. De jongen lag in een onnatuurlijke houding en keek met nietsziende open ogen. Ivan probeerde hem op te tillen, maar hij was al helemaal stijf. Doodgevroren, nadat hij beroofd was. Zijn dure warme jack en zijn bontlaarzen waren verdwenen.
Het groepje rondom het lichaam van Vladimir groeide. Sergei stond aan de grond genageld. Igor moest kotsen en Natascha viel van afgrijzen flauw. Sacha pakte zijn mobieltje. Kiril liep op de commotie af. Ruw griste hij het toestel uit Sacha’s hand en begon zijn klantjes meteen te commanderen. ‘Luitjes gauw wegwezen voordat de politie komt, anders zitten we uren op het bureau. Jullie staan stijf van de drugs en dat vinden jullie pappies vast niet leuk.’
Sergei liet zich met de anderen als in trance meevoeren. Enkele straten van de nachtclub rende Kiril er vandoor en liet hen achter.
‘Schoft,’ riep Sergei hem na. ‘Jij hebt hem vermoord met die rot pillen van jou.’
 
Zijn wekker ging af. Elf uur zag hij. De traditionele lunch met zijn vader mocht hij niet missen, al wist hij precies wat zijn vader hem zou zeggen: goed je best doen.
Hij voelde zich laf omdat hij Vladimir zo had achtergelaten. Waren al zijn klasgenoten zo? Vonden ze de problemen die Kiril zou kunnen krijgen belangrijker dan Vladimir? Zou Vlad het overleefd hebben als hij actie had ondernomen? Kiril dacht alleen aan zijn eigen handel, de vuile egoïst. Hij schopte zijn kleren en bontlaarzen opzij. In de badkamerspiegel zag hij nu zijn eigen gezicht, grauw en lusteloos. Zijn blauwe bloeddoorlopen ogen en vergrote pupillen duidden op druggebruik. In een opwelling pakte hij een glas en smeet dit naar zijn evenbeeld, alsof hij de situatie hiermee kon oplossen. De klap werkte ontnuchterend en hij voelde meteen iets van spijt. Hij haatte zijn eigen zwakheid. Kijkend naar de scherven, speelde hij even met de gedachte om zijn pols door te snijden. Wat maakt het ook uit of ik mijn best doe of niet, mijn vader wordt helemaal door zijn werk opgeslokt en mijn moeder geeft niets om mij.
Bot gedrag, stoer doen en iedereen met minachting behandelen gold in dit wereldje als de stelregel om mee te kunnen doen. Vonden zijn vrienden deze manier van leven echt leuk of deden ze alsof? Hij merkte heus wel dat hij door het personeel van zijn vader werd geminacht. Respect moet je verdienen, hield zijn vader hem altijd voor. Hij miste elke motivatie en voelde zich waardeloos. Om zo te eindigen als Vladimir leek hem verschrikkelijk. In augustus werd hij achttien. Wat dan? Zonder diploma zou hij niet kunnen studeren. Zou Vladimir nog leven als hij hem was blijven zoeken en hem de pillen had laten uitspugen? Drugs hadden een funeste uitwerking. Hij ging eraan kapot, maar het lukte hem niet om op eigen kracht uit de vicieuze cirkel komen.
Een lange douche ontnuchterde hem enigszins. Hij rechtte zijn rug en kleedde zich aan.

SPOORLOOS

SPOORLOOS

 

Jemig, ze is er nog niet,’ prevelde Hanna toen ze geen bobbel op het bed naast haar zag. Haar reiswekkertje meldde vijf uur. Zo laat maakte Muriëlle het meestal niet. Ze knipte het licht aan en draaide het lampje meteen van haar gezicht weg. Ze voelde de motoren trillen. Even twijfelde ze of ze haar zou bellen. Zittend op de rand van haar bed zag ze Muriëlle’s gsm; logisch want op zee was geen bereik. Ze snoof en rook de geur van vers gebakken brood. Snel kleedde ze zich met een steeds sterker wordend gevoel van onrust aan. Op de gang heerste doodse stilde, behalve luid gesnurk uit de hut tegenover haar stateroom. Gniffelend dacht ze aan haar ouders, die door het hevige lawaai dat haar moeder in de nacht maakte, apart waren gaan slapen. Een jonge officier die haar wilde passeren keek haar flirtend aan. Fluisterend begon ze: ‘Ik zit met een probleem.’ Ze haalde even adem en zag dat de man dacht dat ze iets van hem wilde. Ze rechtte haar rug en begon ernstig: ‘Kunnen passagiers hier zomaar verdwijnen?’
De man keek sceptisch. ‘Kijkt u niet zo, mijn beste vriendin, met wie ik hut 402 deel is er nog steeds niet. Dat is niets voor haar,’ begon ze waarbij ze de paniek die ze voelde opkomen, probeerde te verdrukken.
‘Kom, kom mevrouwtje. Het gebeurt wel vaker dat een van onze gasten zich in een hut vergist,’ zei hij en keek haar veelbetekenend aan. ‘Zo is mijn vriendin niet. Ze is gelukkig getrouwd!’
Hij keek een tikje belerend. ‘Het zal de eerste keer niet zijn dat iemand een anoniem avontuurtje wil. Gaat u maar naar uw hut en slaap lekker uit. Als mevrouw om 10 uur nog niet boven water is gekomen, ondernemen we een zoekactie. Op dit tijdstip kan ik onmogelijk het alarm aanzetten. Ik moet ook om de andere passagiers denken.’
Hannah siste boos: ‘Jullie hebben ook weinig gevoel voor veiligheid.’ Ze keek op het naamplaatje van de jonge officier: Carl Sandström, las ze en aan het Zweedse vlaggetje dat naast zijn naam was gedrukt, begreep ze waar de lange knappe blonde man vandaan kwam. Ze kon zich voorstellen dat hij best in was om het alleenstaande vrouwen buiten zijn diensttijd het naar de zin te maken. Hij pakte haar bij haar arm en leidde haar naar hut 402. Voor de deur bleef hij afwachtend staan. Wat dacht de vent wel, dat zij theater speelde om hem te verleiden? Ze stond op het punt om hem een klap in zijn mooie gezicht te geven, maar beheerste zich. Uiteindelijk had de man niets onoorbaars gedaan. Plotseling voelde ze zich vreselijk moe.
‘Dank u voor het advies, ik ga nog even slapen. Maar mocht mijn vriendin morgen om 10 uur nog niet gevonden zijn, dan hou ik u hiervoor verantwoordelijk.’ Ze zag dat de man deze opmerking niet had verwacht.
Hij knikte en liep hoofdschuddend weg.
Ze schopte zij haar schoenen uit en trok haar kleren uit. Zonder haar make-up er af te halen stapte ze in haar ondergoed haar bed in. Eerst lag ze te draaien maar al gauw viel ze, mede door het zachte deinen en het regelmatige geronk van de motoren, in slaap. Ze droomde en hierin zag ze Muriëlle stomdronken lachend van het achterdek in het water springen, waarbij ze door de schroef vermalen werd. Het water kleurde knalrood. Drijfnat werd ze wakker. Ze zat met een ruk rechtop en keek naar de wekker. Half tien! Het bed van Muriëlle vertoonde geen afdruk. Zonder een douche te nemen kleedde ze zich snel aan. In de spiegel zag ze dat haar make up er nog mee doorging. Met haar vingers bolde ze haar kapsel op. In een opwelling opende ze de kluis en pakte de vliegbiljetten voor de terugreis. Op de gang struikelde ze bijna over een blad met de resten van een ontbijt. Enkele passagiers keerden al terug van de eetzaal. Iedereen lachte. Haar hoofd stond niet naar lichtzinnige praat. Even bekroop haar de gedachte hoe ze zou reageren als ze Muriëlle in de eetzaal stralend met een vreemde vent zou aantreffen. Woede en ongerustheid borrelden afwisselend in haar op. Ze liep speurend door de schreeuwerig gedecoreerde eetzaal, maar wie er ook zat, geen Muriëlle. Ook op het zonnedek geen spoor van haar vriendin. Ze stevende op de eerste man in uniform af die ze in het oog kreeg en vroeg naar Carl Sandström.
‘Hij heeft geen dienst mevrouw. Wat kan ik voor u doen?’
‘Brengt u mij naar de commandant,’ beval ze.
‘Mevrouw, dat kan ik zonder geldige reden helaas niet doen, daartoe ben ik niet gemachtigd.’
‘Als een passagier verdwenen is, doet u het dan wel,’ vroeg ze ijzig.
‘Vanzelfsprekend mevrouw.’
‘Mijn vriendin Muriëlle Latour met wie ik deze cruise maak, ik vannacht niet op haar kamer gekomen. Ook nu kan ik haar nergens ontdekken. Ik maak mij ernstige zorgen. Uw medeofficier Carl Sandström, heb ik vannacht hierover om een uur of 6 gewaarschuwd, en hij beloofde om alarm te slaan als mevrouw om tien uur nog niet boven water is gekomen.’ Ze keek op haar horloge. ‘Het is nu bijna tien uur. Ik wil de commandant nu spreken.’
Met duidelijke tegenzin ging de man haar voor.‘Komt u maar mee.’
Ze hoorde hem zacht mopperen dat de commandant niet thuis was voor geintjes.
Achter de man liep ze enkele gangen door. De officier stopte voor een deur waarop in gouden letters captain stond. De officier klopte en toen hij ja hoorde, opende hij de deur. Hannah zag dat de commandant boven de zestig moest zijn. Hij kwam plezierig over en had een goed onderhouden witte zeemansbaard. Zijn pet lag op zijn bureau.
Hij stond op toen zij binnenkwam en keek haar onderzoekend aan. Met zachte stem vroeg hij beleefd: ‘Wat kan ik voor u doen mevrouw.’ Hannah keek de commandant ernstig aan en vertelde hem wat er zich afgelopen nacht had afgespeeld. De commandant streek bedachtzaam met zijn hand over zijn baard. ‘Gaat u zitten mevrouw. Hebt u al ontbeten?’ Ze schudde van nee en er kwam een traan in haar oog. Was ze gisteravond maar zo verstandig geweest om bij Muriëlle te blijven. Maar ze wilde absoluut na de show naar het buffet en daarna nog aan de bar een drankje drinken want ze had zulke leuke mensen ontmoet met wie ze had afgesproken. Wie die mensen waren, wist ze niet. Ze had geen idee of dat een echtpaar was, of dat dit loslopende mannen waren.
De commandant begon orders te geven. Hij trommelde enkele officieren op en gaf bevel om het hele schip te laten onderzoeken. ‘Hut 402 zei u?’ Hannah knikte. Een van zijn officieren ging achter een computer zitten en even later zag ze haar eigen foto en die van Muriëlle op het computerscherm. De man printte de foto van haar vriendin uit. Hij bekeek hem en drukte nog een twintig tal exemplaren af. Een matroos nam de afdrukken mee. Na enkele minuten kwam er een steward met een blad binnen. Haar ontbijt. De commandant leidde haar naar een aangrenzend vertrek waar ze een tafel en vier stoelen zag. Het blad werd daar neergezet en de man wenste haar smakelijk eten. Met een discrete klik werd de deur dichtgedaan. Vanuit het commandocentrum dat naast het vertrek van de commandant was gelegen, hoorde ze dat er links en rechts bevelen werden gegeven. Even later hoorde ze de zes korte en een lange stoot van het alarm van man over boord gaan. Ze kreeg een knoop in haar maag en kon de koffie nauwelijks doorslikken. Op haar horloge zag ze dat na het alarm er al een half uur verstreken was. Ze stond op en keek door de patrijspoort. De motoren leken minder hard te draaien en ze zag een boot van de kustwacht naderen. Verdorie, nu zit Dubai er niet meer in spookte door haar hoofd en ze schaamde zich meteen dat die gedachte was komen bovendrijven. Ze pijnigde haar hersens af en kom geen enkele aanleiding vinden, waarom Muriëlle in zee zou zijn gesprongen. Dronken over boord geslagen? Vermoord? Maar waarom dan… Het bleef een groot raadsel. Ze pakte haar iPad uit haar tas en scrolde de foto’s door. Op een foto stond ze precies zo gekleed als gisteravond. Welke schoenen en sieraden wist ze ook nog precies, want daarover hadden ze gisteravond nog plezier gehad. De mannequins fluisterden de gasten achter hun rug. Zo werden ze wel vaker genoemd. Ze zag het lachende gezicht van Muriëlle in de spiegel weer voor zich, toen ze haar zware gouden ketting in haar nek vast maakte. Het grapje nu heb jij je vluchtkapitaal bij je, had ze afgedaan met: moet jij nodig zeggen met die ringen van jou. Je kunt ze als boksbeugel gebruiken. Zou ze Frans al bellen? Net overwoog ze dit toen de kapitein binnen kwam.
Hij keek ernstig en schudde zijn hoofd. ‘Geen spoor van uw vriendin.’
Ze toonde haar iPad en zei: ‘Dit had ze aan, ik weet het nog precies.’
Hij knikte geduldig. ‘Mevrouw, het hele schip is systematisch onderzocht. Ook op losse spullen, zoals schoenen, sieraden.’ Hij maakte een moedeloos gebaar.
‘Wat nu, moet ik haar man bellen?’
‘Dat zullen de autoriteiten doen. Was mevrouw verzekerd?’
‘Bedoelt u een levensverzekering? Die betaald toch niet uit voordat… het lichaam is gevonden.’
De kapitein gaf haar een teken hem te volgen.
‘Moet ik nu van boord?’
‘Dat moet u zelf beslissen.’
Hannah streek met haar hand door haar lange donkere haar. Ze wist dat ze beide mannen toch niet zou kunnen bereiken op hun weg naar Dakar.
‘Ik weet het niet,’ fluisterde ze, ‘onze echtgenoten volgen de race Parijs-Dakar, maar ik zou de kinderen kunnen waarschuwen.’
De kapitein maakte een gebaar dat ze het zelf zou moeten weten. ‘Kunt u er achter komen wie de mensen waren met wie ze gisteravond een afspraak had? Na de show wilde zeg wat gaan drinken met mensen die ze pas ontmoet had.’ Ze voegde er aan toe: ‘Ik weet alleen dat ze in de eerste shift aten. Wij eten altijd later.’
De kapitein dacht na en knikte. ‘Gaat u maar naar uw state-room.’
Ze stond op met rubberen benen. Hopend dat Muriëlle rustig in hun hut zou zitten, liep ze door de gangen. Haar mobieltje had geen bereik. Op het reisschema stond dat ze pas morgen in de bewoonde wereld zouden aankomen. Niets hield haar aandacht vast. Geen boek of spannende film kon haar boeien. Ze leunde achterover in de enige stoel van het vertrek en peinsde zich suf of ze iets kon ontdekken waardoor Muriëlle van boord zou zijn gestapt. Niets! Moord? Ook geen reden. Zou ze zich ergens verstopt hebben? Ook dat leek onwaarschijnlijk. Ze pakte haar iPad en ging internet op. Zoekend naar het aantal overboord geslagen passagiers leverde een tamelijk groot aantal op, maar daarbij zaten ook vissers die tijdens het ruwe werk het leven hadden gelaten. Ze hoorde geklop op haar deur. Carl Sandström stond voor haar deur. Hij zag er bleek uit en had kringen onder zijn ogen. Ze liet hem binnen.
‘Ik kom mijn excuses aanbieden.’
Sarcastisch zei ze: ‘Vinden jullie ooit iemand terug die overboord is gegooid?’
‘Maar…’
‘Jongeman ik ken mijn vriendin al ruim 35 jaar. Ze is erg knap en ik vermoed dat ze niet wilde ingaan op avances van een of andere vent. Zijn jullie er trouwens al achter gekomen met wie ze gisteravond na de show aan de bar hing?’
Hij knikte ontkennend.
‘Maken jullie aantekeningen van drinkebroers en seksisten?’
‘Nee. We houden het wel in de gaten als mensen vervelend gaan doen.’
‘Als jullie niets kunnen, wil ik graag de namen van de barkeepers die gisteren de laatste shift hadden weten. Als jullie niets in die richting doen ga ik zelf op zoek.’
‘Ik wil u graag helpen in mijn vrije tijd.’
Ze trok haar mondhoek naar beneden. ‘Wanneer weet jij die namen? Hemel de lunch is al bijna afgelopen.’
Hij ging haar voor en zei: ‘Ik praat wel met de keuken.’
In de eetzaal zaten nog 3 mensen. De ober maakte een handgebaar en zei: ‘Mevrouw u bent te laat.’
‘Dat zullen we wel even zien,’ zei ze boos en ging zitten. De gerant kwam al aangesneld. Hij fluisterde met de ober en gaf haar het menu. Veel trek had ze niet. Snel maakte ze haar keuze. Ze liet de helft van het voorgerecht staan en schoof haar stoel naar achteren. Carl stond bij de uitgang. Hij drukte haar een papier in de hand en maakte een verontschuldigend gebaar dat hij echt weg moest. Alle bars waren verlaten. Een van de pianisten stond bij een vleugel om zijn muziek te ordenen. Ze pakte haar Ipad uit haar tas en trok de man aan zijn jasje. Verbluft keek hij haar aan en gaf haar een guitige knipoog. Ze keek hem strak aan, toonde de foto van Muriëlle en zei: ‘Kent u deze vrouw?’
‘Zeker, een goede klant.’
‘Ik wil u even spreken.’
De man liet haar voorgaan naar een leeg zaaltje. Hij had zijn haar blond geverfd en probeerde zijn buik in te houden. De pianist knikte toen Hannah was uitgesproken.
‘Ja, er was een heer die werk van haar maakte.’
‘Weet u wie dat was?’
‘Zijn naam kan ik u niet zeggen.’
‘Bullshit, wie weet heeft hij haar vermoord en overboord gegooid. U kunt vast zijn foto herkennen.’
Aarzelend begon de man: ‘Ze wilden beiden van boord.’
‘Wat?’
Ze rende weg en botste tegen Sandström op. Buiten adem vertelde ze wat de pianist gezegd had.
‘Foto’s… toon hem alle foto’s van mannelijke passagiers.’
Ze begon te ijsberen. De pianist kuchte.
‘Ik neem aan dat die foto’s zo zullen komen.’
Sandström kwam aanzetten met een elektronisch apparaat, net zoals gebruikt bij het inschepen na een excursie. Hij mompelde in zichzelf en schakelde het apparaat in op passagiers en vervolgens op mannen.
‘Gaat u maar zitten, die zal wel even duren.’ De pianist knikte en bekeek de foto’s.
‘Kunt u het apparaat ook op leeftijd instellen?’
‘Nee dat lukt niet.’
‘Eerste shift eten dan?’ vroeg Hannah.
Ook dat kon niet. Ze stond met haar armen over elkaar en trommelde met haar vingers op haar bovenarm.
‘Dit is hem,’ hoorde ze de pianist roepen. ‘Zeker weten!’
‘Stevens, mijnheer Stevens,’ zei Sandstöm.’
‘Mag ik eens kijken?’ vroeg Hannah. Ze trok bleek weg, slaakte een kreet en zakte in elkaar.
‘Mevrouw… mevrouw… bent u er nog?’ hoorde ze Sandström roepen. Hij sloeg haar zacht op haar wang.
Ze voelde dat ze op een bank lag. Ze richtte zich op. ‘Het gaat wel weer. Verdorie hoe durft ze…’
‘Herkende u die man?’
‘Ja. Stevens heet hij niet. Die kerel is de echtgenoot van mijn vriendin.’
Sandström rende weg. De pianist stond er een beetje verloren bij. ‘U bent vast toe aan een borrel.’
Ze knikte en zag dat de man daar zelf ook van hield.
‘Blijft u maar even rustig zitten.’ Zwijgend dronken ze een dubbele whisky. Hannah keek op haar horloge en vroeg: ‘Mijnheer herinnert u zich nog welk nummer de hut van die zogenaamde Stevens had?’
‘502 mevrouw. U wilt toch niet…’
‘Ja, dat wil ik wel. Ik ga eens poolshoogte nemen.’ Ze voelde zich misbruikt en pijnigde haar hersens af. Frans wilde vast vluchten, maar waarom? Een financiële schuiver? Toch moord? Ze stond al voor hut nummer 502 en klopte. Ze zag een woedende Sandström aankomen. ‘Bent u gek geworden? Dit moeten wij onderzoeken.’
‘Nou erg snel zijn jullie niet.’
‘U gaat naar uw stateroom en wel nu.’
‘Verdorie, ik ben degene…’
Sandström pakte haar bij haar arm en zei: ‘Orders van de kapitein mevrouw.’
Mokkend liep ze naar haar hut. Ze pakte een flesje uit het koelkastje en schonk zich nog een whisky in. Starend over het water, begon het haar te dagen. Woedend was ze. Met een vertrokken gezicht liep ze naar haar state-room, zoals de kapitein de hut noemde. Ze sloeg de deur achter zich dicht en pakte Muriëlle mobieltje. Geen bericht van iemand die als Stevens was ingescheept. Ze scrolde verder en keek naar documenten. Een bijlage trok haar aandacht. Ze kreeg het niet geopend. Nieuwsgierig zond ze het bericht naar haar eigen e-mailadres. Het doorsturen nam heel wat tijd in beslag. Ondertussen bevoelde ze de voering van Muriëlle’s koffer. In het binnenwerk was een verdikking.
‘Ping,’ hoorde ze. Ze pakte haar iPad en hield haar adem in toen ze het attachment geopend had. ‘Verdorie…,’ sprak ze hardop. Waarom had ze niets gezegd? Uit niets was gebleken in welke situatie Muriëlle en Frans terecht waren gekomen. En nu had ze de kapitein ingelicht. Die Sandström jongen wist nu ook al teveel. Zuchtend vroeg ze zich af wat ze nu moest doen. Wachten tot Dubai? Nu haar eigen man een mailtje sturen? Ze pakte een nagelschaartje en pulkte de voering los. Iemand had dit zo netjes gedaan dat het nauwelijks zichtbaar was, waar de opening gemaakt was. Net wilde ze de enveloppe er uit trekken, toen ze een klopje op de deur hoorde. Snel sloot ze de koffer en liep met kloppend hart naar de deur. Carl stond voor de deur. Hij zweeg en keek haar onderzoekend aan. Ze hief haar kin op en vroeg: ‘Wat is het laatste nieuws?’
‘Ik kreeg van de kapitein opdracht om u aan de politie over te dragen. U weet vast meer.
‘Dat is absurd,’ sprak ze nijdig. ‘Ik speel geen toneel. Mijn vriendin heeft mij niets gezegd over…’
‘Over wat mevrouw?’ Ze kromp in elkaar. Carl stond onbeweeglijk voor haar. ‘Het spijt me, maar ik hou er niet van om gebruikt te worden.’
‘Gebruikt? Ik ben gebruikt. Zijn ze nog aan boord of hoe zit dat?’
Carl schraapte zijn keel. ‘U kunt beter meewerken met justitie.’
‘Ik weet van niets!’
‘Uw gezicht zegt anders. Kom vertel, wat heeft u ontdekt? Staat er iets op haar telefoon? Heeft u iets in die koffer gevonden?’ Ze liet zich op het bed vallen. Carl opende de koffer en pakte de enveloppe.
‘Daar heb je het recht niet toe,’ riep ze.
Hij hield haar tegen, pakte haar arm stevig beet. ‘Wel als er misdrijf in het spel is. Ik ben toevallig jurist.’
Carl kon het document niet lezen.
‘Geef mij maar.’
Hij wilde het niet afgeven.
Hannah stond op en trok het uit zijn hand. Het document scheurde. Verbouwereerd liet Carl het los. Snel trok ze zich met het document terug in de badkamer en deed de knip op de deur. Zittend op de wc las ze de tekst. Carl bleef op de deur kloppen. Na tien minuten deed ze de knip van de deur.
‘Een faillissementsverklaring,’ zei ze droog. ‘Geloof me, ik wist van niets. Zet me desnoods aan een leugendetector, maar ik vertik het om door de politie opgesloten te worden. Alles goed en wel. Zijn ze beiden nog aan boord of zijn ze overboord gesprongen? Hebben jullie de kamer van Frans onder de naam van Stevens onderzocht?’
‘De deur is verzegeld, er was niemand.’
‘Er moet toch iets te vinden zijn… een afscheidsbrief…,’ sprak ze zacht voor zich uit. Plotseling draaide ze zich om en zei: ‘Kunnen ze met een rubberboot gevlucht zijn?’
‘Daar heb ik ook al aan zitten denken.’

Vol ongeloof stond Henri op de kade toen het schip in Civitavecchio aanmeerde. Hij trok Hannah snel mee naar de hal waar de koffers stonden. ‘Hoe?’ vroeg ze en hij wees op de kaart met visitor. ‘En jullie Dakar plan?’
‘Hij moest halverwege dringend weg.’
‘Zei hij waarom?’
Henri knikte en schopte boos tegen een koffer.
‘Failliet is toch geen reden om…’
Henri keek haar smalend aan en siste: ‘Je dacht toch niet dat hij zelfmoord ging plegen.’
‘Vermoedde jij iets?’
‘Ik heb hem nog geld geleend.’
‘Wat? Veel?’
Henri knikte schaapachtig.
‘Zijn we nu…’
‘Ja, blut. Ik heb zelfs schulden gemaakt. Verkoop je juwelen maar.’
‘Gotsamme! Weten de kinderen iets?’
‘Die zijn helemaal over de rooien.’
‘Moeten we ons huis verkopen?’
‘Staat al in de verkoop.’

Drie jaar later stond er een bode op de stoep van de galerijflat. ‘We hebben heel wat moeite gehad om u te vinden mevrouw,’ zei de man en overhandigde haar een dikke enveloppe. Hannah tekende en maakte de enveloppe nieuwsgierig open. Ze stond net met de vliegtickets in haar hand toen Henri thuiskwam.

Tijdens de vlucht raasden diverse scenario’s door hun hoofd.
Op Barbados airport keken ze nieuwsgierig rond. Een man in een zwart pak sprak hen aan. Hij vroeg hun naam en wees naar een gereedstaande auto. Zwijgend lieten ze zich over het eiland rijden. Na een half uur zagen ze een hoge witte muur. De man drukte een afstandsbediening in. Langzaam ging het geblindeerde hek open. Overal bewaking. Een stel dobbermand liepen onrustig rond. Hannah kreeg kippenvel en pakte Henri’s hand. De auto stopte voor een statig bordes. Een andere man deed het portier open en blies op een hondenfluitje, waarna de dieren gingen liggen. Bruinverbrand kwam Frans hen in een wit linnen overhemd over een witte broek hen met uitgestoken hand tegemoet.
‘Wat moet dat betekenen Frans. Eerst laat je niets van je horen, ik moest zelfs mijn huis verkopen en nu sta jij hier als een grote mijnheer.’
‘Kom binnen, dan leg ik het allemaal uit.’
‘Durf je dat… verdomme je hebt drie jaar van mijn leven verpest en ik, sukkel heb je nog proberen te helpen.’
‘Ik heb jouw kapitaal verviervoudigd Henri.’
Hannah keek met open mond naar Muriëlle die in een duur gewaad op haar afkwam. ‘Hoe kon je…’ was alles dat ze kon uitbrengen.
‘Liefje, ik moest wel.’
‘Had dan tenminste iets gezegd, dit gebrek aan vertrouwen…’
‘Het is nu toch weer goed allemaal.’
‘Nee, je kunt niet zo even de knop omdraaien. Dat pik ik niet.’
‘Kom doe niet zo kinderachtig. Kijk eens hoe we nu leven. Het huis naast ons staat voor jullie klaar.’
‘Ik pieker er niet over. We gaan terug.’
Frans en Henri waren diep in gesprek. Een bediende was al bezig om een lunch klaar te zetten op een overdekt terras. Ze hoorde woorden als investeren, handel… Ze voelde zich nog steeds enorm bedrogen.
‘Kom Hannah we worden aan tafel verwacht,’ riep Henri.
‘Ik wil naar huis,’ riep ze mokkend.
‘Dat zal niet gaan,’ hoorde ze Frans zeggen en zag de loop van een pistool op zich gericht.

DE KAT MET DE GROENE OGEN

DE KAT MET DE GROENE OGEN

 

Quirine voelde een lichte opwinding. Nog een uur de tijd gaf haar Cartier horloge aan. Straks… Sportief chic gekleed met een lang beige kasjmier vest en een bij haar Ferragamo schoenen behorende tas, wierp ze een laatste blik in de spiegel. Haar leeftijd was haar niet aan te zien, de kapper had zijn best gedaan en de passende make-up deed haar groene ogen goed uitkomen. Vermanend tikte ze tegen het raam toen ze iemand betrapte die zijn fiets tegen de trapleuning van haar grachtenpand met het bekende blauw/wit schildje probeerde vast te maken. Het bordje ‘don’t even THINK of parking your bike here, had helaas weinig effect. Deze fietser liep door. Ze was van het mooie huis gaan houden en thuiskomen bleef een genot als ze door de statige marmeren gang met het ouderwetse liftje liep om naar de bel-etage te gaan. Bij mooi weer genoot ze van de stadstuin waarin ze tussen de keurig symmetrisch geschoren buxushaagjes witte rozen had geplant. In het souterrain huisden Stien en Klaas, het echtpaar dat haar ouders jaren lang had gediend. Een kleine tien jaar geleden was ze hier weer komen wonen, eerst met haar ouders en na hun overlijden, had ze het huis geërfd. Doodzonde om dit mooie grachtenpand aan de staat te laten vervallen, want verdere familie had ze niet. Haar moeder was 46 toen zij geboren werd. Nu was ze bijna veertig. Vrienden had ze genoeg, maar na Octavio had ze de ware nooit ontmoet. De man met wie ze straks een afspraak had, zou dat misschien kunnen worden; via een datingsite nog wel, iets waarvoor ze jaren haar neus had opgehaald. Verliefd worden moest spontaan gebeuren en niet via een computer. Bovendien vond ze het erg indiscreet om je beste en slechtste eigenschappen te moeten invullen; terwijl ze ook nog een aardig bedrag aan een bureau had betaald dat beweerde aan screening te doen, zodat je geen kat in de zak zou kopen. Nou ja kopen? Krijgen? Zo werkte een relatie niet; bovendien kon iedereen schrijven wat hij of zij wilde. Op het scherm van haar Apple bekeek ze nog even zijn foto: knappe vent, open gezicht, blauwe ogen en donker haar. Deze Paul van Nispen deed haar sterk aan Octovio denken. Had ze daarom op zijn bericht gereageerd? Verder las ze: 42 jaar, veel gereisd, geen tijd gehad om een relatie op te bouwen, eigen zaak verkocht en zocht een erudiete vrouw. Wat had zij ook weer over zichzelf geschreven? Ze las haar tekst op het scherm nog even door en knikte goedkeurend.
Quirine liep de tuin in om te voelen of ze een jas zou aantrekken. Stien was bezig om het kooitje van haar kanariepiet te verschonen. ‘Zo Stien, aan het werk voor Piet?’
‘Mevrouw, de kooi maak ik elke drie dagen schoon. Piet is ook niet meer de jongste. Bakteries, dat weet u wel.’
‘Ja Stien…, reinheid. Hoe is het met Klaas?’
‘Goed mevrouw. Gaat u uit? U ziet er zo mooi uit. Is mijnheer Simon vertrokken? Ik zie hem niet meer.’
‘Ach, Stien…’ Ze haalde haar schouders op, ‘kom, ik moet er vandoor.’
Simon had hier twee jaar gewoond. Een nette vent, maar hij was steeds saaier geworden. Toen hij verwachtte dat zij aldoor voor hem klaar stond, had ze hem verzocht te vertrekken. Nu was ze al bijna een jaar alleen. Quirine liep over de gracht naar de Vijzelstraat, ruim op tijd voor haar afspraak in de lounge van hotel de l’Europe. Binnen zag ze hem al zitten op een van de rode stoeltjes met de International Herald Tribune opgevouwen op het tafeltje. Hij droeg een pak van goede Italiaanse snit, mooie schoenen en sokken en zijn gele das had precies de juiste kleur. Niets op aan te merken.
Hij stond op. ‘Quirine?’
Ze knikte. ‘Paul?’ Beiden schoten in de lach.
Maurice kwam aangesneld. ‘Mevrouw van Raalte, het gewone recept?’
Ze keek Paul vragend aan. ‘Prima, voor mij ook graag.’
‘Je weet niet waaraan je begint,’ zei Quirine en ging op de witte bank zitten. Maurice bracht twee gin tonics. Ze hadden net een slok genomen, toen Pauls mobieltje ging.
‘Paulo?’ hoorde ze een Italiaanse vrouwenstem duidelijk vragen. Zonder een spier te vertrekken zette hij zijn mobieltje af. ‘Mijn excuses dat ik dat dit liet aanstaan.’
Quirine keek uit het raam. Paul had na dit telefoontje weinig meer te melden. Ze keek op haar horloge, bijna half zes zag ze.
‘Heb je al honger?’ vroeg hij.
‘Och, honger is een groot woord. Overigens, de keuken is hier uitstekend.’
‘Mag ik je straks voor een etentje uitnodigen?’
‘Hier?’
‘Ja, tenzij je liever ergens anders wilt eten.’
Ze schudde haar hoofd. Paul stond op en en liep weg. Ze zag hem tamelijk lang met Maurice staan confereren.
Hij ging weer bij haar zitten.‘Zo, tafeltje gereserveerd. Wil je nog een drankje?’
Ze wees naar haar nog bijna volle glas.
Paul keek haar vriendelijk aan en ze voelde haar hart een sprongetje maken. Leuke vent, normale man zo te zien.
‘Blijkbaar woon jij hier in de buurt, ik mag toch Quirine zeggen?’
Als we vormelijk blijven doen, leren we elkaar nooit kennen.’
Hij kuchte en wist blijkbaar niet hoe hij de conversatie op gang moest brengen.
‘Vertel eens iets meer over jezelf Paul.’
Hij vouwde zijn handen en keek even in de verte.‘De meeste dingen weet je al.’
‘Ja, wat in je dossier stond, maar dat is niet de echte Paul.’
Licht verward door haar opmerking sprak hij: ‘Goed, ik ben dus nooit getrouwd en nu zou ik graag mijn leven met een lieve vrouw willen delen. Door mijn vele reizen was voor vriendschap en liefde gewoon geen plaats. Leven in hotelkamers, hoe mooi ook, dat is het niet. Jij lijkt mij een warm interessant mens. Mag ik je vragen wat jij doet, daar was je nogal vaag over.’
Ze glimlachte. ‘Ach, zo interessant is dat niet, dus heb ik dit niet vermeld. Ik restaureer porselein.’
‘Bij een museum?’
Ze schudde verbaasd haar hoofd. ‘Nee ik heb een eigen atelier.’
‘Precies werk zeker?’
‘Zeer precies. Zeg Paul, waar woon je nu? Nog steeds in een hotel?’
Hij knikte. ‘Zeg Quirine, morgen is het zaterdag. Ben je vrij?’
‘Ik ben eigen baas.’
‘Mag ik je uitnodigen voor een weekendje Parijs?’
Ze keek bedenkelijk. Zo’n snelle reactie had ze niet verwacht, hoewel ze daar vroeger anders over had gedacht.
‘Aparte kamers uiteraard.’
Ze vouwde haar handen.‘Ik wil daar tijdens het eten over denken. Goed?’
Zo kabbelde de conversatie voort en het schoot niet echt op, maar wilde ze dit wel? Paulo was zeer aantrekkelijk. De vrouwelijke gasten die zoetjes aan richting restaurant liepen, bekeken haar afgunstig. Maurice kwam zeggen dat hun tafeltje gereed was en fluisterde haar toe: ‘Mijnheer heeft een heerlijk menu uitgekozen.’
In gedachten gaf ze Paul een plusje.
Het dinertje was een groot succes. Na een fles wijn kwam het gesprek goed op gang en voelde het of ze elkaar al jaren kenden. Na de koffie vroeg Paul de rekening.
‘Ik heb genoten Paul. Hartelijk dank.’ Ze gaf hem een hand over tafel en Paul drukte daar een kus op.
‘Ik heb mij ook tijden niet zo goed gevoeld. Quirine, mag ik nog vragen of je met mij mee naar Parijs wil? Een ticket kan ik zo regelen met al mijn airmiles.’
Ach, waarom niet, dacht ze. ‘Afgesproken, maar wel aparte kamers. Ik ben niet zo eentje….’
‘Dat apprecieer ik. Mag ik je thuisbrengen?’
Ze keek hem schalks aan. ‘Vooruit dan maar.’
Samen liepen ze naar haar huis. ‘Woon je in een grachtenpand?’
Ze knikte stil. Plotseling liep er een zwarte kat met fel groene ogen op haar af. Het beest keek haar spottend aan. Ze verstijfde. De kat… Ze wankelde even en leunde tegen Paul aan. Met moeite kreeg ze haar stem terug.’Hier woon ik. Hoe laat moet ik morgen klaarstaan Paul?’
Paul leek haar schrik niet te hebben opgemerkt. ‘Is zeven uur te vroeg?’
‘Helemaal niet. Casual of chic?’
‘Beiden graag.’
Ze knikte en ging de hardstenen trap op. Paul liep terug en keek niet meer achterom. In haar bed kon ze de slaap niet vatten. Het beeld van Octavio verscheen op haar netvlies. God, wat had ze van hem gehouden. Achttien was ze toen ze archeologie wilde studeren. Haar destijds zeventigjarige vader had haar gezegd: ‘Quirine, als je dit echt graag wilt, ga deze zomer dan naar Egypte, ik las net in mijn krant dat professor Octavio Monteleone jongelui zoekt om als vrijwilliger te graven. Hij is er van overtuigd een nieuw koningsgraf gevonden te hebben. Lieverd het is langdurig en zwaar werk. Je verdient niet veel, maar als het je passie is, ga daar meehelpen en als je dan nog enthousiast bent, betaal ik je studie.’
Zaterdagochtend stond ze met een klein koffertje buiten. Even later stopte een taxi. Paul knikte goedkeurend naar haar weinige bagage en mompelde iets over travelling light.
‘Goedemorgen Quirine, Je ziet er weer schitterend uit. Goed geslapen?’
‘Dank je Paul, jij ook?’
Hij knikte en hielp haar instappen. ‘Nu op naar Schiphol.’ Hij keek naar haar schoenen. ‘Prima om lopend de stad te gaan verkennen.’
‘Ken jij Parijs dan niet Paul?’
‘Alleen de hotels helaas. Ik heb veel gereisd maar weinig gezien.’
Ze had hem graag over ouders, broers of zusjes willen vragen. Straks, als we door Parijs lopen, doe ik dat wel. Paul keek strak voor zich uit. Bij de incheckbalie zag ze tot haar verbazing dat hij een Italiaans paspoort tevoorschijn haalde. ‘Wil je aan een raam zitten?’
‘Nee, middenpad… dikke mensen…’
Hij knikte begrijpend.
Na de controle vroeg ze: ‘Ben je Italiaan?’
‘Siciliaan van moeders kant.’
Ze slikte en moest aan Octavio denken, ook een Siciliaan. Warm, viriel en gepassioneerd. Niet alleen voor de opgravingen. De kat… zou de vloek toch echt bestaan?
‘Wat ben je ver weg. Je denkt toch niet…’
‘Ik dacht aan iemand die ik vroeger kende.’
Paul negeerde haar opmerking, maar ze kon zijn blik niet peilen.
In Parijs bracht de taxi hen naar een mooi klein luxueus hotel. Ze bewonderde haar kamer die verbonden was met die van Paul. De deur kon op slot en de sleutel stak aan haar kant in het slot. ‘Naar wens?’
‘Prima.’
‘Moet je iets uithangen? Wat wil je, nog een uitgebreid ontbijt of eerst lopen en daarna lunchen.’
‘Kies jij maar. Ik eet nooit op een vaste tijd.’
‘Over tien minuten bij de receptie?’
Ze liepen door Parijs, dronken een espresso op een terrasje en na een uur, pakte Paul haar hand vast. Amoureux in Parijs. Hij leidde haar naar Louvre, direct naar de Egyptische afdeling. ‘Een speciale tentoonstelling, die zal jou vast wel interesseren.’ Ze huiverde. Daar stond de kat, zwart met felgroene ogen, echte smaragden. Het boek lag er naast; haar boek. Ze wilde zich zo draaien dat Paul dit niet kon zien, maar ze hoorde hem fluisteren: ‘Zo dottore.’
‘Ik heb frisse lucht nodig,’ stamelde ze. Buiten keek Paul haar vorsend aan. Ze draaide zich van hem af en fluisterde: ‘En jij Paul, kende jij Octavio?’
Hij pakte haar bij haar arm en zei gesmoord: ‘Ik…’
‘Wist je het?’
Hij knikte.
Ze sloot haar ogen en zag de gebeurtenis in Egypte weer duidelijk voor zich. De ontdekking van de kat… Octavio …
Paul fluisterde: ‘Kom niet meer aan denken. Het nu allemaal voorbij.’
Ze keek hem aan. Een traan gleed over haar wang. Kon de klok maar teruggedraaid worden. Wat zou Octavio van deze tentoonstelling genoten hebben. Dat Paul haar juist naar deze tentoonstelling had geleid… Duizend vragen spookten door haar hoofd. Om het weekend niet te verpesten sprak ze gemaakt opgewekt: ‘Waar gaan we straks eten?’
Hij klopte zachtjes op haar rug en zei: ‘Good girl.’
Met trillende lippen liep ze verder. Paul gedroeg zich als de perfecte gentleman. In de kleine bistro bestelde ze een plat de jour en een koffie. Hij pakte haar hand en keek haar vorsend aan. Nog steeds voelde ze het grote verlies van Octavio, maar nu ze hier met Paul zat die zo vertrouwd over kwam, leek dat iets minder.
‘Nu, jij Paul. Vertel me over Octavio.’
‘Straks,’ sprak hij resoluut.
Ze veranderde van onderwerp. ‘Moet ik mij voor het diner verkleden?’
‘Graag. We hebben alle tijd. Je kunt eerst rustig een bad nemen.’
‘Prima voor mijn voeten.’
Hij gaf haar een discrete kus op haar wang. Ze voelde de neiging om zich in zijn armen te storten, maar hield zich in. Ze liepen over het beroemde kerkhof Père Lachaise en de Avenue Montaigne voordat ze bij het hotel kwamen.
In het bad dacht ze lang na. Octavio, de opgraving in Egypte, het ongeluk, haar proefschrift, het kwam allemaal weer boven. Hoe ze als achttienjarige smoor verliefd werd op Octavio… Hij had een vriendin, Alicia een struise blonde Zweedse vrouw die twee jaar ouder was dan de knappe man die alle vrouwelijke studentes het hoofd op hol bracht. Het volgende jaar kwam ze weer terug, nu met een jaar studie archeologie achter de rug. Tot haar vreugde zag ze dat Alicia niet meer met hem samenwerkte. Op een avond kon ze niet slapen. Alle vrijwilligers waren door het uitputtende werk van die dag in diepe slaap. Een onduidelijkheid over de hiërogliefen was in haar hoofd blijven malen, totdat ze door een flap van de tent naar de sterren had gekeken. Dat was het. Spontaan rende ze in haar dunne nachthemd naar de tent van Octavio. Hij had net gedoucht en droeg alleen een handdoek. Enthousiast vertelde ze over haar vondst. ‘Octavio, we kwamen er niet uit omdat we vergaten aan de sterren te denken. Kijk maar.’ Ze had een vel papier gepakt, de tekens geschreven en pijlen naar de stand van de sterren getekend.
‘Je bent een genie!’ had hij uitgeroepen en omhelsde haar spontaan. Verbaasd had Octavio haar aangekeken, alsof hij haar voor het eerst werkelijk zag toen ze hem vurig terug kuste. Zijn handdoek gleed op de grond. Met vochtige ogen stond ze voor hem en liet hem zachtjes haar nachthemd uittrekken. Hij tilde haar op en legde haar op zijn brede bed. Octavio drong gepassioneerd haar lichaam binnen. ‘God, je was nog maagd,’ had hij even later geschokt geroepen.
‘Ik wilde dat jij de eerste bent. Ik hou van jou al vanaf het eerste moment dat ik jou zag.’ Ze klampte zich aan hem vast en fluisterde: ‘Toe, nog een keer graag.’
Nu nam hij de tijd en ze keken elkaar aan terwijl beiden een hoogtepunt bereikten. Ze werden geliefden en bleven dat. Elk jaar ging ze naar de koningsvallei om in de vakantie te helpen met de opgraving van het nieuw ontdekte koningsgraf. Eenmaal afgestudeerd vertrok ze voor goed naar Luxor, waar ze ook haar proefschrift schreef. De tent van Octavio werd hun woning. Overdag werkten beiden hard, in de avond schreven ze hun bevindingen op, maar de nacht was voor haar. Dan had ze Octavio helemaal voor haar alleen. Elf jaar, onafgebroken werken, zich nauwelijks de tijd gunnend voor een vakantie, totdat… Het badwater was afgekoeld. Ze rilde en droogde zich stevig af. Met haar handen streelde ze haar borsten en dacht weer aan de liefkozingen van Octavio. Automatisch trok ze haar kleine zwarte jurkje aan en deed het parelsnoer om dat Octavio haar had gegeven. In de spiegel borstelde ze haar haar, trok mooie schoenen aan en zag dat het bijna acht uur was.
Paul klopte even later op haar deur. ‘Is de dottore klaar om te vertrekken?’
Ze knikte en probeerde stralend te kijken. Het restaurant was slechts enkele meters van het hotel verwijderd, een klein intiem lokaal, waar ze een tafeltje in een hoekje kregen om niet gestoord te worden. Verbeeldde ze het zich, of werd Pauls blik inderdaad steeds naar haar parels getrokken?
‘Kom, we maken het niet te laat,’ sprak Paul na de verfijnde maaltijd.
‘Ja, als we morgen weer veel lopen…’
Zwijgend liepen ze naar het hotel. Paul bleef voor haar kamerdeur staan en keek heel ernstig. Ze streek liefdevol met haar hand over het parelsnoer en sprak gesmoord: ‘Van je moeder he? God ik wist echt niet wie je was. Paulo heeft Octavio over mij gesproken?’
Als antwoord gaf hij haar een discrete kus op haar wang. Een prachtvrouw, deze woorden die zijn moeder over haar had gesproken echoden in zijn hoofd. Hij dacht aan zijn zoektocht naar haar via internet. Blijkbaar had ze zich nooit meer voor archeologie geïnteresseerd. Nog een bof, dat hij op de datingsite terecht was gekomen via een programma dat alle ingetoetste namen weergeeft. Nu vroeg hij zich af of dit wel zo verstandig was geweest. Zou ze boos worden als ze hier achter kwam?
De volgende ochtend ontbeten ze samen in een typisch Parijse bistro. Beiden vermeden angstvalling het onderwerp Octavio. De stemming bleef een beetje gespannen en Quirine probeerde om zo gewoon mogelijk te doen. Ze liepen veel, maar namen weinig van de mooie omgeving in zich op. Beiden waren teveel met hun gedachten elders.
Tijdens de terugvlucht vroeg ze: ‘Woon je echt in een hotel?’
‘Ja, ik heb net mijn ouderlijk huis in Zwolle verkocht en nu moet ik de laatste dingen afhandelen. Mijn vader is een half jaar geleden overleden.’ Als vanzelfsprekend ging hij met haar mee naar het grachtenpand. ‘Je kunt de logeerkamer krijgen, dan hoef je niet in een hotel.’
‘Graag Quirine.’ Hij zag aan haar blik dat ze hem vertrouwde. Om haar voor zich te kunnen winnen zou hij zich moeten beheersen. In de mooie logeerkamer moest hij in zichzelf lachen om de absurde situatie. Zat hij hier met een date en gebeurde er niets. Maar Quirine was niet zomaar een date, hij hoopte dat ze samen oud zouden kunnen worden.
De volgende dag gaf hij haar een grote enveloppe. ‘Dit zijn de brieven die mijn broer aan mijn moeder heeft geschreven. Over jou. Wil jij ze lezen?’
‘Hoe…?’ Ze keek hem vragend aan.
‘Octavio was mijn halfbroer, maar dat begreep jij al. Zijn vader hield er een maîtresse op na. Mijn moeder gaf schilderscursussen in ons grote huis op Sicilië en daar heeft ze mijn vader ontmoet. Ze werden verliefd. Paul van Nispen, mijn vader, trok bij haar in.’ Hij zuchtte.
‘Ga door, ik wil het graag allemaal horen.’ Paulo knikte. Hij stak zijn handen in de zakken van zijn sportjasje en begon te ijsberen.
Octavio kon af en toe net zo gelopen.
‘Mijn moeder wilde scheiden, toen Octavio’s vader er een andere vriendin op na hield. Ze hertrouwde met Paul van Nispen, die, om de familie voor uitsterven te behoeden, mij geëcht heeft. Zo werd ik van Paulo Monteleone, Paul van Nispen. Vanaf mijn vijfde jaar ben ik in Holland opgegroeid. Octavio…, we schreven elkaar en later mailden we. Hij was door het dolle heen toen jij een kind verwachtte.’
‘En?’
Hij keek naar de grond en fluisterde: ‘Mijn moeder had zo graag haar kleinkind gezien.’
Ze klapte helemaal dicht.
‘Quirine, waar is je kind?’ hoorde ze hem hees vragen.
‘Weten jullie dat niet?’ vroeg ze geschokt.
Hij schudde zijn hoofd.
Ze staarde stil voor zich uit.
Paulo wachtte rustig tot ze zou gaan vertellen.
Ze liep naar het raam dat uitkeek op de witte rozentuin. ‘Het ongeluk… we stonden naast elkaar ieder op een ladder. Ik hield de zaklamp vast en Octavio ontcijferde de laatste hiërogliefen. Ik was vijf maanden zwanger. We zouden trouwen. Hij had een post als professor op Sicilië aangenomen. Hij mocht een nieuwe faculteit archeologie in Catania opzetten. Plotseling…’ Ze kon niet verder gaan en boog haar voorhoofd tegen het koele glas.
Paulo pakte haar bij haar elleboog. ‘Kom ga even zitten.’
Ze knikte, liep met hem mee en begon: ‘Die brieven…’
‘In het Italiaans. Als je wilt kan ik ze voorlezen.’
‘Ja, graag.’
Paulo pakte het bundeltje en vroeg: ‘Wat wil je, vanaf het begin of liever de laatste?’
‘Begin graag.’
Samen op de bank begon Paulo de brieven voor te lezen. Octavio’s liefde voor haar, zijn tedere woorden het kwam allemaal weer terug. Ze dacht terug aan hun eerste samenzijn. Mijn kostbaarste kleine piramide, had hij het driehoekje tussen haar benen genoemd. Terwijl Paulo langzaam vertaalde, speelden alle dolgelukkige jaren samen met Octavio zich op haar netvlies af. Paulo interrumpeerde niet. Hij sprak rustig door en liet haar over aan haar herinneringen. Hun hartstocht, het samen schrijven van het boek over de vondst van de kat en de opgravingen. De publiciteit, de euforie van Octavio toen zijn ontdekking wereldkundig werd gemaakt. Quirine beleefde het weer allemaal in haar gedachten. De laatste brief was van zijn moeder, terug gestuurd na het overlijden van Octavio. Heerlijk dat jouw lieve Quirine een kind verwacht. Jongen, trouw met deze fantastische vrouw. Heb je haar mijn parels gegeven? Ik kan niet wachten om mijn kleinzoon in mijn armen te sluiten. Weet Paulo al dat hij oom gaat worden? Hier stopte Paulo en keek haar vragend aan.
Quirine sloot haar ogen. Als door een wesp gestoken, stond ze plotseling op en riep gesmoord: ‘Hemel, helemaal vergeten. Ik moet er vandoor.’
Paulo hielp haar in haar jas en sloot de deur. Hij voelde een lichte ongerustheid en vroeg zich af of hij haar niet beter achterna zou moeten gaan. Ze ging hopelijk geen gekke dingen doen. Zijn moeder wachtte vol ongeduld in Sicilië op nieuws van zijn kant. Ze was na de dood van Arnout van Nispen weer terug gegaan naar haar eerste man. ‘Beschouw dit ook als jouw huis Paulo,’ had zijn stiefvader hem gezegd. Hij herinnerde zich nog enkele flarden van de eerste vijf jaren van zijn leven dat hij hier had gewoond. De menage a quatre had niet gewerkt… Hij liep naar de logeerkamer en pakte het fotoalbum, het enige voorwerp dat de kleine Egyptische boefjes na de dood van zijn halfbroer niet hadden meegenomen. Nog een wonder dat het parelsnoer van zijn moeder niet gestolen was. Waarschijnlijk hadden ze het aangezien voor een goedkoop snoer. Paulo was direct na de dood van zijn halfbroer naar Luxor gevlogen. De politie wilde niet meewerken. Gelukkig had hij vrij veel geld bij zich, zodat hij het lichaam naar Sicilië kon laten vliegen. Een van de medewerkers had hem de tent getoond waarin alles was overhoop gehaald. Behalve het fotoboekje, ontbrak elk voorwerp van waarde. Tarouk, een kleine Egyptische jongen had hem de ladder getoond. Een sport was half doorgezaagd. Octavio was vermoord. Maar voordat hij in dit land een onderzoek op gang had kunnen brengen, moest hij omdat zijn visum maar kort geldig was, al weer vertrekken. Van Quirine had elk spoor ontbroken. Tarouk wist alleen de woorden dokter uit te brengen toen hij naar haar gevraagd had. Hij bladerde de foto’s van het grachtenpand en de afbeeldingen van Quirines ouders door. Alle kamers zagen er nog precies zo uit, behalve de studeerkamer van haar vader. Om in andermans spullen te snuffelen, was niet zijn gewoonte, maar hij wilde nu meer weten. Bovendien had hij zijn moeder beloofd om op zoek te gaan naar de zoon van Octavio. Langzaam liep hij de vertrekken door en vergeleek deze met de afbeeldingen van het kleine fotoalbum. In de studeerkamer stopte hij. Op het bureau zag hij een rood leren map welke hij hier nog niet eerder had zien liggen. Nieuwsgierig maakte hij deze open. Hij zag een stapeltje aan elkaar geniete rekeningen van een ziekenhuis in Luxor. Voorzichtig pakte hij het bundeltje op. Met moeite kon hij het slechte handschrift ontcijferen. De rekeningen dateerden van ongeveer tien jaar geleden. Madame Quirine van Raalte, 14 dagen hospitalisatie, met details als hersenschudding, anesthesie en medicamenten. De volgende rekening was van een orthopeed, met vermelding gecompliceerde botbreuken. Quirine had naast Octavio gestaan toen de ladder plotseling brak. Hij sloeg het blad om en zag een rekening van een gynaecoloog met de vermelding, miskraam, bloedtransfusies. Geschokt legde hij het papier terug. Dus daarom was Quirine niet bij de begrafenis. Hij zag nog kopie van een brief die haar vader aan de autoriteiten had geschreven. Paulo kon het niet laten om deze ook te lezen. Hierin beschuldigde haar vader de autoriteiten van corruptie. Hij had hen proberen aan te klagen omdat hij eerst een fors bedrag had moeten betalen voordat zijn dochter medische verzorging kreeg. Blijkbaar had Octavio nooit een werkvergunning voor haar geregeld. Typisch zijn oudere broer, die slechts een ding voor ogen had; zijn passie voor de archeologie. Toen hij de map dicht wilde doen zag hij een gestempeld document; hij probeerde het te ontcijferen en zag dat dit een uitvoervergunning was voor menselijke resten… Als verdoofd ging hij zitten. Peinzend keek hij rond tot zijn blik op de replica van de zwarte kat viel die op de schoorsteenmantel stond. Als gebiologeerd liep hij naar de kat met de groene ogen. Op de voet stond een bordje. Voorzichtig pakte hij de kat. De kop kon bewegen. Hij liep er mee naar het raam en las: Octavio junior, 5 maanden oud. Hieronder stond de datum; de dag dat zijn halfbroer was omgekomen. Vol ongeduld wachtte hij op de terugkomst van Quirine. Het werd al bijna donker en nog was ze er niet. Die brieven voorlezen was misschien niet zo’n goed idee geweest. Quirine had bij hem gevoelens opgeroepen waarvan hij het bestaan nooit had geweten. In de ban van de geliefde van zijn halfbroer. Hij lachte schamper. Zou ze hem expres hebben laten opdraven? Hij liep naar het raam en keek de gracht af. De straatlantaarns waren al aan. Doelloos liep hij het huis door. Met de telefoon in zijn hand om de politie te bellen, hoorde hij de voordeur.
Quirine stond doodstil in de gang toen hij de studeerkamer uitkwam. Haar blik was wazig. Even spraken beiden niet. Aarzelend deed hij een stap naar voren. Van haar rechterschoen was de strik af.
‘Wil je dat ik wegga,’ zei hij zacht. Ze bleef maar staren. Hij kon haar nog net opvangen toen ze begon te wankelen en droeg haar de studeerkamer in en legde haar op de bank. Voorzichtig trok hij haar schoenen uit en bekeek haar bloedende voet. Ze maakte een grimas toen hij zachtjes over de zwelling wreef.
‘Gezwikt,’ zuchtte ze. Hij liep naar de badkamer en zocht in de medicijn kast. Met een zwachtel, pleisters en ontsmettingsmiddel kwam hij terug. ‘Ik wilde net de politie bellen… ongerust dat je zo lang weg bleef.’ Hij knielde en begon met natte watten haar voet te bewerken.
‘Dat doe je kundig.’
‘Ik heb eerst medicijnen gestudeerd.’ Hij wachtte tot ze weer iets ging zeggen. Hij pakte haar hand en wreef die liefdevol. Quirine sloot haar ogen en begon zacht: ‘Ik…. jij… Octavio… ‘ Ze kreunde. ‘God het kwam allemaal terug. Ik moet dit verwerken… een lange wandeling… om… dit op een rijtje te zetten.’ Hij trok haar naar zich toe en sloeg zijn arm om haar heen. Aarzelend klampte ze zich aan hem vast. Na een diepe zucht liet ze hem los.
‘Zal ik iets te eten voor je klaarmaken?’
Ze knikte en stond langzaam met een pijnlijk gezicht op.
‘Wil je een pijnstiller?’
‘Het gaat wel. Liever een borrel.’

WELKOM OP MIJN VERNIEUWDE WEBSITE

 

Annemarie

 

 

 

 

 

Ik nodig je uit om fragmenten van enkele nog te publiceren boeken te lezen. Ook heb ik een paar van mijn korte verhalen (in kleur aanklikken) op deze site geplaatst.
Veel leesplezier!
Graag hoor ik wat je ervan vindt.

Op mijn blog http://annemarieenters.wordpress.com is ook het een en ander te lezen. Nieuwtjes over gepubliceerde verhalen op Woordenstroom (nu al 8 verhalen hoog geëindigd!)
Zolang mijn fantasie mij niet in de steek gaat, blijf ik enthousiast doorgaan.

Annemarie Enters